Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:1414

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
11200225 \ CV EXPL 24-8412
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant facturen voor geleverde zorg en huishoudelijke hulp door zelfstandige zorgverlener

In deze zaak vordert een zelfstandige zorgverlener betaling van openstaande facturen voor zorg en huishoudelijke hulp die zij heeft geleverd aan klanten van thuiszorginstelling WOC Amsterdam B.V. De zorg omvatte WLZ-zorg inclusief individuele begeleiding en huishoudelijke hulp over de periode september 2022 tot en met mei 2023.

Partijen verschillen van mening over het toepasselijke uurtarief en de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht. De zorgverlener hanteert een tarief van €55 per uur voor individuele begeleiding, terwijl WOC stelt dat het tarief €32,50 per uur bedraagt en dat de zorgverlener in de maanden november 2022 tot en met januari 2023 afwezig was. De rechtbank oordeelt dat het tarief van €32,50 per uur geldt en dat de zorgverlener in de genoemde maanden niet aanwezig was, waardoor de facturen voor die periode niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor de huishoudelijke hulp geldt een vast maandelijks tarief van €594, maar ook hier worden de maanden november 2022 tot en met januari 2023 uitgesloten vanwege afwezigheid. Uiteindelijk heeft de zorgverlener recht op betaling van €6.796, waarvan WOC al €6.725,50 heeft voldaan, zodat nog een restant van €70,50 openstaat.

Daarnaast vordert de zorgverlener buitengerechtelijke incassokosten, waarvan €40 wordt toegewezen conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: WOC Amsterdam B.V. wordt veroordeeld tot betaling van €70,50 restant facturen en €40 buitengerechtelijke incassokosten aan de zorgverlener.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, kanton
Zaaknummer \ rolnummer: 11200225 \ CV EXPL 24-8412
Vonnis van 14 februari 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.D. Winter,
tegen
WOC AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Diemen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: WOC,
gemachtigde: Anti Incasso, [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juni 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 19 september 2024, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de nagekomen productie 6 van [eiser] van 22 oktober 2024,
- het nagekomen stuk van [eiser] met de nota van oktober 2022 van 11 november 2024,
- de nagekomen productie 3 van WOC van 13 november 2024,
- de nagekomen productie 7 van [eiser] van 21 januari 2025.
- de mondelinge behandeling van 31 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, die in het dossier zijn gevoegd.
1.2.
Daarna is een datum voor het vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[eiser] heeft als zelfstandige werkzaamheden verricht voor klanten van thuiszorginstelling WOC (Watch Over Care). De werkzaamheden bestonden uit het leveren van zorg, individuele begeleiding en huishoudelijke hulp. [eiser] factureert haar werkzaamheden bij WOC.
2.2.
[eiser] vordert in deze procedure betaling van facturen, die zien op ‘WLZ-zorg inclusief individuele begeleiding’ en huishoudelijke hulp, over de periode september 2022 tot en met 11 mei 2023. Totaal bedragen deze facturen volgens haar bij elkaar € 17.468,00. WOC heeft al een bedrag van € 6.725,50 betaald en daarom vordert [eiser] (na eiswijziging ter zitting) nog een bedrag van € 10.742,50, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] zorg heeft geleverd aan klanten van WOC. Zij heeft de werkzaamheden, bestaande uit het leveren van zorg, individuele begeleiding en huishoudelijke hulp (deels zelf) uitgevoerd. Partijen verschillen alleen van mening over welke maanden [eiser] de werkzaamheden (zelf) heeft uitgevoerd, op welke werkzaamheden de facturen die zij aan haar vordering ten grondslag legt precies op zien en over het toepasselijke uurtarief.
Facturen zorg
3.2.
[eiser] vordert betaling van facturen die zien op ‘WLZ-zorg inclusief individuele begeleiding’. Voor de door haar gedeclareerde werkzaamheden hanteert zij een uurtarief van € 55,00 per uur. Zij vordert voor deze werkzaamheden betaling van de volgende facturen:
  • factuur [nummer 1] , voor september 2022: 35 uur × € 55 = € 1.925
  • factuur [nummer 2] , voor oktober 2022: 35 uur × € 55 = € 1.925
  • factuur [nummer 3] , voor november 2022: 35 uur × € 55 = € 1.925
  • factuur [nummer 4] , voor december 2022: 36 uur × € 55 = € 1.980
  • factuur [nummer 5] , voor januari 2023: 35 uur × € 55 = € 1.925
  • factuur [nummer 6] , voor februari 2023: 32 uur × € 55 = € 1.760
  • factuur [nummer 7] , voor maart 2023: 34 uur × € 55 = € 1.870
3.3.
WOC heeft tegen betaling van deze facturen twee verweren aangevoerd: voor alle facturen voor zorgwerkzaamheden geldt niet een uurtarief van € 55 per uur maar € 32,50 en de facturen voor de maanden november 2022 tot en met januari 2023 (facturen [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] ) komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat [eiser] die drie maanden in het buitenland verbleef.
3.4.
[eiser] heeft aangevoerd dat voor persoonlijke verzorging wel een uurtarief van € 32,50 werd gehanteerd maar voor individuele begeleiding heeft zij een uurtarief van € 55. Zij stelt dat zij deze twee soorten werkzaamheden apart heeft gefactureerd en dat WOC de facturen voor persoonlijke verzorging wel heeft betaald, maar de facturen voor de individuele begeleiding (à € 55 per uur) niet. De kantonrechter gaat hier niet in mee. De ‘knip’ die [eiser] maakt tussen deze twee soorten werkzaamheden en dat zij die apart zou factureren, ziet de kanonrechter niet. Op de factuur staat namelijk WLZ-zorg
inclusiefindividuele begeleiding. Dit duidt erop dat er maar één factuur werd verstuurd voor het leveren van zorg én individuele begeleiding. WOC heeft ook betwist dat [eiser] andere facturen heeft gestuurd voor persoonlijke verzorging met een uurtarief van € 32,50 en dat WOC die wel zou hebben betaald. [eiser] heeft die facturen niet in het geding gebracht zodat dit verder niet is te controleren. Verder heeft WOC voldoende toegelicht dat het uurtarief van [eiser] voor het verlenen van zorg inclusief individuele begeleiding € 32,50 bedraagt. Dat blijkt uit de overeenkomst tussen partijen van 10 augustus 2022 waarin staat dat voor het verlenen van ‘Zorg in natura’ een uurtarief geldt van € 32,50. De stelling van [eiser] dat er in afwijking van deze overeenkomst een afspraak zou zijn gemaakt voor een uurtarief van € 55 slaagt niet. [eiser] heeft wel aangevoerd dat WOC voor de periode juni tot en met augustus 2022 facturen met een uurtarief van € 55 heeft vergoed, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt. Bovendien stelt WOC zich op het standpunt dat deze bedragen onverschuldigd zou zijn betaald, maar dat ligt verder niet voor in deze procedure. Van de openstaande facturen die [eiser] vordert, kan zij dus slechts € 32,50 per uur voor de haar gewerkte uren in rekening brengen.
3.5.
Voor de maanden november 2022 tot en met januari 2023 is voldoende duidelijk dat [eiser] toen niet aanwezig was. Dat [eiser] ook nog in de maand januari 2023 afwezig was, wat [eiser] op de zitting ontkende, blijkt voldoende uit de tussen partijen gevoerde Whatsappgesprekken. [eiser] stelt dat haar werk is waargenomen door de heer [naam] en dus gewoon door WOC betaald moet worden. WOC was inderdaad van de afwezigheid van [eiser] de hoogte, maar uit de stukken blijkt niet dat WOC wist dat de werkzaamheden zouden worden waargenomen door [naam] . WOC heeft daarom terecht aangevoerd dat zij niet kan nagaan wie de zorg heeft geleverd en of dat goed is gegaan. Verder blijkt ook niet dat WOC akkoord is gegaan met het vergoeden van zorgverlening door [naam] aan [eiser] voor genoemde periode van drie maanden. De facturen van [eiser] van november 2022 tot en met januari 2023 komen niet voor vergoeding in aanmerking.
3.6.
Op grond van het voorgaande heeft [eiser] wel recht op betaling van:
  • factuur [nummer 1] , voor september 2022: 35 uur × € 32,50 = € 1.137,50
  • factuur [nummer 2] , voor oktober 2022: 35 uur × € 32,50 = € 1.137,50
  • factuur [nummer 6] , voor februari 2023: 32 uur × € 32,50 = € 1.040
  • factuur [nummer 7] , voor maart 2023: 34 uur × € 32,50 = € 1.105
  • Totaal: € 4.420,00
Facturen huishoudelijke hulp
3.7.
[eiser] vordert daarnaast ook betaling van facturen die zien op huishoudelijke hulp:
  • factuur [nummer 8] voor de maanden september, oktober, november, december 2022 tegen een vast tarief van € 594 per maand = € 2.376,00
  • factuur [nummer 9] voor de maanden januari, februari en maart 2023 tegen een vast tarief van € 594 per maand = € 1.782,00
3.8.
WOC heeft niet betwist dat [eiser] huishoudelijk hulp heeft verricht. WOC heeft alleen aangevoerd dat [eiser] de huishoudelijke hulp niet apart kon facturen omdat dit ook onder het uurtarief van €32,50 valt. Dit verweer slaagt niet. Het ligt namelijk voor de hand dat [eiser] deze werkzaamheden apart kon facturen omdat dit andere werkzaamheden zijn, die niet onder het verlenen van zorg vallen en dus ook niet onder de hiervoor genoemde overeenkomst van 10 augustus 2022 die ziet op het verlenen van ‘zorg in natura’. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat voor deze werkzaamheden een vast bedrag van € 594,00 per maand in rekening mocht worden gebracht. Voor deze facturen geldt echter hetzelfde als wat is overwogen in overweging 3.5 hiervoor; [eiser] was in de maanden november 2022, december 2022 en januari 2023 niet aanwezig was en daarom komen deze niet voor vergoeding in aanmerking.
3.9.
Daarom heeft [eiser] recht op betaling van:
  • factuur [nummer 8] voor de maanden september en oktober 2022 met een vast tarief van € 594 per maand = € 1.188
  • factuur [nummer 9] voor de maanden februari en maart 2023 met een vast tarief van € 594 per maand = € 1.188
  • Totaal € 2.376,00
Conclusie betaling restant facturen
3.10.
In totaal heeft [eiser] dus recht op betaling van € 4.420 + € 2.376 = € 6.796. Vast staat dat WOC al een bedrag van € 6.725,50 heeft betaald en dat wordt hierop in mindering gebracht. Daardoor resteert (slechts) nog een bedrag van € 70,50 dat WOC aan [eiser] moet betalen.
Buitengerechtelijke kosten
3.11.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft vergoeding van btw gevorderd over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. De gevorderde btw is niet toewijsbaar, nu [eiser] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht te hebben. In deze procedure wordt slechts een bedrag van € 70,50 aan hoofdsom toegewezen en daar zal de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op worden aangepast. Volgens het Besluit is bij een bedrag van € 70,50 aan hoofdsom het tarief van € 40,00 van toepassing. De kantonrechter wijst daarom € 40,00 toe.
Proceskosten
3.12.
Beide partijen hebben deels gelijk gekregen. Daarom worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt WOC om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 70,50,
4.2.
veroordeelt WOC om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt, kantonrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.