Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:1606

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
13-328736-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 420bis SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitleveringsverzoek Zwitserland voor drugshandel en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2025 het uitleveringsverzoek van Zwitserland gericht op de uitlevering van een persoon geboren in 1995, verdacht van betrokkenheid bij drugshandel en witwassen. De verdachte erkende zijn identiteit en nationaliteit. Het verzoek betrof strafvervolging voor feiten gepleegd tussen 1 januari 2020 en 21 juni 2023.

De verdediging voerde aan dat de feitsomschrijving onvoldoende specifiek was, met name over de pleegperiode en strafbaarstelling. De officier van justitie stelde dat de omschrijving, mede door het A-formulier, voldoende duidelijkheid bood over de periode, locaties en betrokkenheid. De rechtbank oordeelde dat het verzoek voldeed aan de eisen van het Europees Uitleveringsverdrag en de Uitleveringswet, mede omdat het strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland nog loopt.

De rechtbank stelde vast dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, met name medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en witwassen, en dat de dubbele strafbaarheid is gegeven. Gezien de naleving van alle wettelijke en verdragsrechtelijke vereisten verklaarde de rechtbank het uitleveringsverzoek toelaatbaar. Tegen deze uitspraak kan binnen 14 dagen cassatieberoep worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het uitleveringsverzoek van Zwitserland toelaatbaar en staat uitlevering toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-328736-24
Datum uitspraak: 4 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 12 november 2024 (met correctie d.d. 21 november 2024), onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de Zwitserse autoriteiten van 23 oktober 2024 tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Zwitserland),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 februari 2025. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A.L. Wagenaar. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, en door een tolk in de Duitse taal.

2.Beoordeling

2.1
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Zwitserse nationaliteit heeft.
2.2
Inhoud en grondslag van het verzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in:
- het originele nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 dat is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie van het kanton Bern, regio 'Berner Jura-Seeland', onder het kopje “Toedracht”;
- de brief van 23 oktober 2024 van
the Federal Office of Justice (FOJ), Division for International Legal Assistance, Extraditions Unitin Zwitserland, inhoudende een uitleveringsverzoek.
2.3
Genoegzaamheid van de feitsomschrijving
De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de feitsomschrijving niet genoegzaam is. Er is onvoldoende gespecificeerd waar de uitlevering voor wordt verzocht. De pleegperiode en de strafbaarstelling zijn ruim geformuleerd en onduidelijk.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – zeker in samenhang gelezen met het A-formulier – de feiten voldoende duidelijk zijn omschreven. De pleegperiode is genoemd (1 januari 2020 – 21 juni 2023), de verschillende pleegplaatsen en de mate van betrokkenheid. Het betreft een uitleveringsverzoek ten behoeve van strafvervolging; het gaat dus om een lopend Zwitsers onderzoek waarin de verdenking nog verder geconcretiseerd zal worden.
De rechtbank overweegt dat uit het nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij – kort gezegd – tussen 1 januari 2020 en 21 juni 2023 als lid van een bende heeft gehandeld in verdovende middelen (cocaïne) die in Zwitserland werden ingevoerd en daar werden verspreid en verkocht. De opgeëiste persoon organiseerde, samen met een medeverdachte, de omschreven invoer van cocaïne in Zwitserland, het innen van de opbrengsten en het witwassen van die opbrengsten. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV) en artikel 18, derde lid, UW, eisen onder meer dat een overzicht van de feiten bij het verzoek is gevoegd en dat de tijd en plaats waarop de feiten zijn begaan, zo nauwkeurig mogelijk wordt vermeld. Mede in aanmerking genomen dat het uitleveringsverzoek strekt tot strafvervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland nog niet is afgerond, voldoet het verzoek naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van die bepalingen.
2.4
Dubbele strafbaarheid
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Zwitsers recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van ten minste één jaar kan worden opgelegd. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
medeplegen van witwassen.
2.5
Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

3.Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 10 Opiumwet;
artikel 2 van Pro de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 65, 9) en artikel 5 van Pro het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).

4.Beslissing

Verklaart
TOELAATBAARde door Zwitserland verzochte uitlevering van
[opgeëiste persoon]voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 dat is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie van het kanton Bern, regio 'Berner Jura-Seeland', onder het kopje “Toedracht”.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 maart 2025.
Ingevolge artikel 31 van Pro de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.