Op 31 maart 2024 heeft verdachte als tussenpersoon een Marktplaatsadvertentie geplaatst voor de verkoop van een duur horloge, waarbij de koper, de benadeelde partij, onder bedreiging van een mes en vuurwapen is gedwongen tot afgifte van €10.500,- contant geld. Verdachte heeft ontkend zelf bij de afpersing aanwezig te zijn geweest, maar de rechtbank oordeelt dat hij wist dat het geen normale verkoop betrof en dat geweld werd gebruikt.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in vereniging met anderen afpersing heeft gepleegd. Verdachte heeft na het incident contact gezocht met het slachtoffer en een deel van de opbrengst geëist, wat de rechtbank als smalend interpreteert. Hoewel verdachte niet zelf het geweld heeft gebruikt, heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd door de advertentie te plaatsen, de afspraak te regelen en het slachtoffer naar een locatie te lokken.
De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en het strafblad van verdachte. De rechtbank wijst het adolescentenstrafrecht af en legt een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De benadeelde partij vordert materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst €10.500,- materiële schade en €2.000,- immateriële schade toe, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast legt de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel van €12.500,- op aan verdachte, te voldoen aan de Staat, met gijzeling bij niet-betaling.
Het vonnis is gewezen door de rechtbank Amsterdam op 7 maart 2025 door de meervoudige kamer.