De rechtbank Amsterdam heeft op 19 februari 2025 een verzoek van de Duitse autoriteiten beoordeeld om aanvullende toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon. Dit verzoek was ingediend op grond van artikel 14 vanPro de Overleveringswet. De overgeleverde persoon, geboren in 1972, is thans gedetineerd in Duitsland.
De rechtbank stelde vast dat de overgeleverde persoon de mogelijkheid moest krijgen om zijn bezwaren tegen het verzoek kenbaar te maken, conform het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 26 oktober 2021. De Duitse autoriteiten hebben een proces-verbaal verstrekt waaruit blijkt dat de overgeleverde persoon bezwaren heeft tegen het verzoek en geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel. Echter, deze bezwaren zijn niet nader benoemd of kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
Hierdoor concludeert de rechtbank dat niet is voldaan aan de eisen van effectieve rechterlijke bescherming, omdat de rechten van de verdediging niet volledig zijn geëerbiedigd. Vanwege het verstrijken van de beslistermijn en het ontbreken van voldoende informatie ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek aan te houden en wijst het verzoek af. De Duitse autoriteiten kunnen een nieuw verzoek indienen mits de bezwaren van de overgeleverde persoon duidelijk worden gemaakt.
Uitkomst: Het verzoek om aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten wordt afgewezen wegens onvoldoende effectieve rechterlijke bescherming van de overgeleverde persoon.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-185783-24
Datum beslissing: 19 februari 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 12 juni 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Amtsgericht Osnabrückin de Bondsrepubliek Duitsland op 19 april 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie),
thans gedetineerd in de Bondsrepubliek Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1.Beoordeling
Vereist is dat een overgeleverde persoon in het kader van een verzoek om toestemming zoals hiervoor vermeld de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 26 oktober 2021. [1]
Op 18 juni 2024 heeft het Openbaar Ministerie, op verzoek van de rechtbank, de volgende vraag aan de verzoekende autoriteit voorgelegd:
Please provide Mr [overgeleverde persoon] the opportunity to express his remarks and objections with regard to the request for additional consent (within the meaning of paragraph 63 of the judgment of the Court of Justice of the EU of 26 October 2021 in the case HM (C 428/21 PPU) and TZ (C 429/21 PPU), ECLI:EU:C:2021:876). In other words, the Court of Amsterdam requests that Mr [overgeleverde persoon] be heard about the request for additional consent and that he shall be asked whether he has any objections to the granting of the request by the Netherlands and, if so, which objections. Please be aware that the mere statement that the surrendered person does not wish to renounce the protection of the principle of speciality is not sufficient. Could you please offer the surrendered person that opportunity and provide me with a report thereof?
Als reactie op deze vraag hebben de Duitse autoriteiten een proces-verbaal van 25 juli 2024 van het Amtsgericht Bochummet parketnummer 64 Gsw 3379/24 inzake het verzoek tot toestemming verstrekt. Hoewel uit dit proces-verbaal blijkt dat de overgeleverde persoon bezwaren tegen het verzoek om toestemming heeft en geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel, blijkt daaruit niet dat de overgeleverde persoon deze bezwaren ook verder heeft kunnen benoemen.
De rechtbank concludeert daarom dat de bezwaren die de overgeleverde persoon heeft, niet kenbaar zijn voor de rechtbank en de rechtbank die bezwaren niet kan betrekken bij haar beoordeling, zodat niet is voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
Hieruit volgt dat de rechtbank niet met volledige eerbiediging van de rechten van de verdediging van de overgeleverde persoon een toewijzende beslissing kan nemen op het verzoek. De rechtbank ziet – vanwege het verstrijken van de geldende beslistermijn – ook geen aanleiding de beslissing op het verzoek aan te houden voor het opnieuw stellen van vragen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
De rechtbank wijst erop dat dit onverlet laat dat de Duitse uitvaardigende justitiële autoriteit desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kan indienen, mits de bezwaren die de overgeleverde persoon heeft tegen inwilliging van zo’n verzoek kenbaar worden gemaakt aan de rechtbank.
2.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om toestemming af.
Deze beslissing is genomen op 19 februari 2025 door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr J.M. Esschendal, griffier.
Voetnoten
1.HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.