Erflaatster is in 2021 overleden, waarbij haar nalatenschap verdeeld moet worden tussen haar twee zonen, eiser en gedaagde. Erflaatster had in 2014 aan beide zonen een belastingvrije schenking van €100.000,- toegezegd, bedoeld voor aflossing van hun eigen woning. Gedaagde ontving in 2014 het volledige bedrag ineens, terwijl eiser slechts een deel kreeg en jaarlijks aanvullende bedragen ontving tot een totaal van €42.500,-.
Eiser vordert dat bij de verdeling van de nalatenschap rekening wordt gehouden met het nog niet ontvangen deel van de schenking, zodat gedaagde niet wordt overbedeld. Gedaagde betwist dit en voert aan dat de schenking aan eiser is vervallen of vernietigd vanwege niet-naleving van de voorwaarde dat het bedrag voor hypotheekaflossing moest worden gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een expliciete voorwaarde aan de schenking en dat de schenking niet is vervallen. De rechtbank stelt vast dat er een schuld van de nalatenschap aan eiser bestaat van €57.500,-. De nalatenschap wordt verminderd met deze schuld en het restant wordt gelijk verdeeld tussen beide broers.
De rechtbank wijst de gevorderde dwangsommen af, maar bepaalt dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een vereiste wilsverklaring indien gedaagde niet meewerkt. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.