ECLI:NL:RBAMS:2025:1745

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
C/13/755099 / HA ZA 24-890
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 Brussel I-bis VoArt. 32 lid 1 Brussel I-bis VoArt. 6:119 BWVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens eerdere Litouwse procedure en veroordeelt in proceskosten

In deze civiele procedure tussen [handelsnaam 1] en Revolut Bank UAB heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat zij zich onbevoegd moet verklaren. Dit volgt uit het feit dat een eerdere procedure in Litouwen eerder aanhangig was en de Litouwse rechter een inhoudelijk oordeel heeft gegeven, wat impliceert dat deze zich bevoegd acht.

De rechtbank baseert zich op artikel 29 lid 1 en Pro artikel 32 lid 1 van Pro de Brussel I-bis Verordening, die bepalen dat bij parallelle procedures in verschillende lidstaten de rechter van het laatst aanhangige gerecht zijn uitspraak aanhoudt totdat de eerste rechter zijn bevoegdheid heeft vastgesteld. De dagvaarding in Litouwen dateert van mei 2024, terwijl de Nederlandse procedure startte in augustus 2024.

Omdat de Litouwse rechter zich bevoegd heeft geacht, verklaart de Nederlandse rechtbank zich onbevoegd. Tevens wordt [handelsnaam 1] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Revolut, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en veroordeelt eiser in de proceskosten van €11.152,00.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/755099 / HA ZA 24-890
Vonnis van 26 maart 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam 1] ,
advocaat: onttrokken
tegen
REVOLUT BANK UAB,
te Vilnius (Litouwen),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Revolut,
advocaat: mr. D.A. Apperloo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6153 (hierna: het tussenvonnis),
- het B16 formulier, ingediend op 24 januari 2025, met daarbij gevoegd het verzoek de zaak op te brengen op de continuatierol van 5 februari 2025, met daarbij gevoegd de uitspraak van het Vilnius Regional Courtvan 9 december 2024 in de zaak met nummer e2-2224-866/2024 tussen [handelsnaam 1] en Revoluten de vertaling van deze uitspraak,
- het B2 formulier, waarbij mr. Gloudemans zich heeft onttrokken als advocaat van [handelsnaam 1] .
1.2.
Nadat mr. Glioudemans zich had onttrokken is de zaak naar de rol van 5 maart 2025 verwezen voor het stellen van een andere advocaat door [handelsnaam 1] . [handelsnaam 1] heeft geen nieuwe advocaat gesteld. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis als volgt geoordeeld:
“5.2. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat [handelsnaam 1] is gevestigd in Litouwen. De zaak valt onder het toepassingsbereik van de Brussel I-bis Vo . Op grond van artikel 29 lid 1 Brussel Pro I bis-Vo geldt als hoofdregel dat, wanneer voor de gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waar de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waar de zaak als eerste aanhangig is gemaakt, vaststaat. In artikel 32 lid 1 onder Pro a van de Brussel I-bis Vo staat dat een gerechtelijke procedure aanhangig is vanaf het moment dat de dagvaarding bij de rechtbank is ingediend op (kort gezegd) de voorwaarde dat eiser de dagvaarding correct heeft betekend aan gedaagde. Uit de stukken uit de Litouwse procedure blijkt dat de dagvaarding van 13 mei 2024 is en het verweerschrift van 30 juli 2024. De dagvaarding in deze procedure dateert van 1 augustus 2024. De procedure in Litouwen was eerder aanhangig dan deze procedure. In de procedure in Litouwen is ook Revolut gedaagde. Uit haar verweerschrift blijkt dat zij bekend is met de procedure. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de dagvaarding correct aan haar is betekend.
5.3.
De Nederlandse rechter mag niet beslissen over de bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen van [handelsnaam 1] , voordat de Litouwse rechter daarover heeft beslist. In afwachting van de beslissing van de Litouwse rechter houdt de rechtbank de beslissing over de bevoegdheid dan ook aan (artikel 29 lid 1 Brussel Pro I-bis Vo). Als de Litouwse rechter zich bevoegd verklaart, zal de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen. Als de Litouwse rechter zich onbevoegd verklaart, zal de rechtbank alsnog moeten beoordelen of aan haar rechtsmacht toekomt. Overigens heeft [handelsnaam 1] in de dagvaarding niet uiteengezet waarom de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen.”
2.2.
In afwachting van de beslissing van de Litouwse rechter over diens bevoegdheid, is de zaak aangehouden. Revolut heeft de zaak weer opgebracht en de uitspraak van het Vilnius Regional Court van 9 december 2024 in de zaak met nummer e2-2224-866/2024 tussen [handelsnaam 1] en Revolut en de vertaling van deze uitspraak in het geding gebracht.
2.3.
[handelsnaam 1] heeft nadat mr. Gloudemans zich had onttrokken geen nieuwe advocaat gesteld en kan dus geen proceshandelingen verrichten. Zij kan dus niet in de gelegenheid worden gesteld op de door Revolut in het geding gebrachte producties te reageren.
2.4.
Te beoordelen is of de Litouwse rechter zich bevoegd heeft verklaard. Als dat zo is dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaren, zoals in het tussenvonnis is overwogen.
2.5.
In de onder 2.2 genoemde beslissing ontbreekt een expliciete beslissing over de rechtsmacht van de Litouwse rechter. Uit het feit dat de rechter een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de ingestelde vordering kan echter worden afgeleid dat de rechter zich bevoegd heeft geacht. Dat oordeel is ook in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 4 van Pro de Brussel I bis Vo [1] : zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Deze rechtbank dient zich daarom onbevoegd te verklaren en de incidentele vordering met die strekking slaagt.
2.6.
De beslissing over de proceskosten was in het tussenvonnis aangehouden. [handelsnaam 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Revolut worden begroot op:
- griffierecht € 6.617,00
- salaris advocaat € 4.357,00 (1 punt × € 4.357,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 11.152,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart zich onbevoegd,
3.2.
veroordeelt [handelsnaam 1] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [handelsnaam 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [handelsnaam 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025
.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking),