Op 4 maart 2024 probeerde verdachte, werkzaam als toezichthouder bij Albert Heijn, een winkeldief aan te houden die boodschappen niet had afgerekend. De verdachte en anderen brachten de verdachte onder controle met geweld nadat deze zich hevig verzette en wegrende.
De officier van justitie beschuldigde verdachte van medeplegen poging zware mishandeling, maar de rechtbank oordeelde dat geen sprake was van bewuste nauwe samenwerking gericht op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen. Wel werd vastgesteld dat verdachte zelf met opzet tegen het hoofd van het slachtoffer trapte, wat een aanmerkelijke kans op zwaar letsel opleverde.
Echter, de rechtbank achtte het beroep op noodweer gegrond omdat verdachte werd aangevallen door het slachtoffer die hem in de hand beet en hem vasthield aan zijn been. Het geweld was proportioneel en subsidiariteit was in acht genomen. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 20 maart 2025, met drie rechters en griffier aanwezig.