ECLI:NL:RBAMS:2025:236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
C/13/759630 / HA ZA 24-1257
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 Brussel I bis-VerordeningArt. 4 Brussel I bis-VerordeningArt. 6 Wet op de naburige rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident in verzetzaak over inbreuk naburige rechten en eer en goede naam via e-mail

In deze civiele verzetprocedure tussen Modern Entertainment B.V. en een in Spanje woonachtige gedaagde staat een geschil centraal over inbreuk op naburige rechten en schending van eer en goede naam via e-mailberichten.

De rechtbank beoordeelt de rechterlijke bevoegdheid aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Voor de vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad wegens inbreuk op naburige rechten geldt artikel 7 lid Pro 2, waarbij de rechter bevoegd is waar het schadebrengende feit zich voordoet. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is voor de schade binnen Nederland, omdat de digitale platforms waarop de rechten worden geëxploiteerd toegankelijk zijn in Nederland. Voor de grensoverschrijdende schade verklaart de rechtbank zich onbevoegd.

Voor vorderingen die niet op onrechtmatige daad zijn gebaseerd, zoals de verklaring voor recht omtrent eigendom van de muziekcatalogus, geldt de hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, hier Spanje, waardoor de rechtbank zich onbevoegd verklaart.

Ten aanzien van de vorderingen over schending van eer en goede naam via internet is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat het centrum van belangen van Modern Entertainment in Nederland ligt en deze bevoegdheid territoriaal niet beperkt is.

De rechtbank besluit beide procedures tussen partijen te voegen vanwege hun onderlinge samenhang en compenseert de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 22 januari 2025 opnieuw op de rol gezet voor beraad over de mondelinge behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich deels onbevoegd en voegt de procedures samen voor een gezamenlijke behandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/759630 / HA ZA 24-1257
Vonnis in incident van 15 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MODERN ENTERTAINMENT B.V.,
gevestigd te Hauwert,
eiseres in de hoofdzaak,
gedaagde in het verzet,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R. van Dongen te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] , Spanje,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het verzet,
eiser in het incident,
advocaat mr. M. Russchen te Amersfoort.
Partijen zullen hierna Modern Entertainment en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de oorspronkelijke dagvaarding van 26 februari 2024, tevens houdende verzoek voorlopige voorziening, met producties,
  • het tegen [gedaagde] verleende verstek,
  • het onder zaaknummer / rolnummer C/13/755865 HA ZA 24-958 op 25 september 2024 gewezen verstekvonnis van deze rechtbank,
  • het herstelvonnis van 9 oktober 2024,
  • de verzetdagvaarding van 28 oktober 2024, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid en verzoek tot rolvoeging, met producties,
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
De rechtbank heeft in het verstekvonnis van 25 september 2024 de vorderingen van Modern Entertainment toegewezen, met dien verstande dat geen veroordeling in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv is uitgesproken, maar op basis van het liquidatietarief.
2.2.
Bij dagvaarding van 28 oktober 2024 heeft [gedaagde] tijdig verzet ingesteld tegen het verstekvonnis en alsnog verweer gevoerd tegen de vorderingen van Modern Entertainment. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Modern Entertainment in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.

3.Het geschil in het incident

3.1.
[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de zaak of zich in ieder geval onbevoegd verklaart om kennis te nemen van vorderingen die betrekking hebben op schade buiten het grondgebied van Nederland.
3.2.
Modern Entertainment voert verweer. Zij stelt dat de rechtbank wel degelijk bevoegd is. Zij voert daartoe onder meer aan dat Modern Entertainment is gevestigd in Nederland, zodat de schade die zij lijdt wordt gevoeld in Nederland. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

Juridisch kader

4.1.
[gedaagde] is woonachtig in Spanje. Dat betekent dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening [1] .
4.2.
De vorderingen van Modern Entertainment zijn in de kern gebaseerd op een onrechtmatige daad, enerzijds door een gestelde inbreuk op naburige rechten (vorderingen onder C en onder F t/m L van het petitum van de dagvaarding) en anderzijds door een gestelde schending van de eer en goede naam van Modern Entertainment in e-mails afkomstig van [gedaagde] (vorderingen onder D en E).
4.3.
Artikel 7 lid 2 van Pro de Verordening bevat een alternatieve bevoegdheidsregel voor geschillen over verbintenissen uit onrechtmatige daad. Volgens deze regel is bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Bij de uitleg van deze regel moet aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).
Vorderingen gebaseerd op inbreuk op naburige rechten
4.4.
In een uitspraak van 3 oktober 2013 [2] heeft het HvJ EU uitleg gegeven aan de bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 in Pro het geval van de verkoop van inbreukmakende cd’s via een website. Anders dan Modern Entertainment meent, is deze uitspraak ook richtinggevend voor een gestelde inbreuk op naburige rechten via het internet, zoals in deze zaak aan de orde. Dit volgt uit een uitspraak van het HvJ EU van 22 januari 2015 [3] .
4.5.
Op grond van deze Europese rechtspraak schept artikel 7 lid 2 bevoegdheid Pro zodra
  • de lidstaat van de aangezochte rechter het door de eiser ingeroepen recht beschermt; en
  • de beweerde schade kan intreden in het rechtsgebied van deze rechter, hetgeen het geval kan zijn als de website waarop het beschermd materiaal beschikbaar is gesteld toegankelijk is in het rechtsgebied van de aangezochte rechter.
De rechter mag in dit geval slechts uitspraak doen over de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van zijn lidstaat.
4.6.
De naburige rechten waarop Modern Entertainment in deze procedure een beroep doet, zijn in Nederland beschermd op grond van artikel 6 van Pro de Wet op de naburige rechten. Modern Entertainment treedt op tegen de gestelde exploitatie van deze rechten via digitale platforms zoals YouTube, Spotify, Deezer, Amazon Music en Apple Music. Deze platforms zijn toegankelijk in Nederland. Dat betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op de naburige rechten van Modern Entertainment. Deze bevoegdheid is territoriaal beperkt tot Nederland. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren ten aanzien van de grensoverschrijdende vorderingen.
4.7.
De rechtbank zal zich eveneens onbevoegd verklaren ten aanzien van vorderingen onder A en B van het petitum. Met deze vorderingen zoekt Modern Entertainment een verklaring voor recht dat zij en niet [gedaagde] de naburig rechthebbende is op de muziekcatalogus die onderwerp is van dit geschil. Anders dan de vorderingen onder C en onder F t/m L zijn deze vorderingen niet gebaseerd op een onrechtmatige daad. De alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 van Pro de Verordening geldt daarvoor dus niet. Dat betekent dat voor deze vorderingen op grond van de hoofdregel van artikel 4 van Pro de Verordening de rechter bevoegd is van de lidstaat waar de gedaagde woonachtig is, in dit geval Spanje.
Vorderingen gebaseerd op schending van eer en goede naam
4.8.
Ten aanzien van de overige vorderingen is een uitspraak van het HvJ EU van 25 oktober 2011 richtinggevend [4] . Het Hof heeft in die uitspraak voor schendingen van persoonlijkheidsrechten door content die op internet is geplaatst geoordeeld dat de gelaedeerde een vordering tot schadevergoeding kan indienen
bij de rechter van de lidstaat waar de uitgever van die content gevestigd is; of
bij de rechter van de lidstaat waar zich het centrum van de belangen van de gelaedeerde bevindt; of
bij de rechter van elke lidstaat op het grondgebied waarvan de op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest.
De onder 2) bedoelde rechter is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de volledige schade.
4.9.
Modern Entertainment heeft onbetwist gesteld dat het centrum van haar belangen zich in Nederland bevindt. Dat betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op de gestelde schending van de eer en goede naam van Modern Entertainment (vorderingen onder D en E van het petitum). Deze bevoegdheid is niet territoriaal beperkt.
Verzoek tot rolvoeging
4.10.
[gedaagde] verzoekt ten slotte om deze procedure op de rol te voegen met een andere procedure, naar de rechtbank begrijpt de verzetprocedure tussen Modern Entertainment en haar twee bestuurders tegen [gedaagde] met zaak / rolnummer C/13/758723 / HA ZA 24-1183. Het centrale verwijt in die procedure is dat [gedaagde] onrechtmatig zou hebben gehandeld door in e-mails aan verschillende partijen onrechtmatige uitlatingen te doen over Modern Entertainment en haar bestuurders.
4.11.
Modern Entertainment verzet zich tegen dit verzoek. Volgens haar hangen de zaken niet voldoende samen om een voeging te rechtvaardigen. De rechtbank ziet dat anders. Beide procedures komen voort uit het geschil tussen partijen over de exploitatierechten van een muziekcatalogus.
4.12.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om beide (hoofd)zaken op de rol te voegen. Dat betekent dat de zaken ieder een eigen zaak- en rolnummer behouden maar dat de procedures zoveel mogelijk gelijk op zullen lopen en dat er in beide zaken één mondelinge behandeling zal plaatsvinden.
Kosten van het incident
4.13.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen onder C en onder F t/m L van het petitum van de dagvaarding, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van Modern Entertainment buiten het Nederlands grondgebied en de schade die Modern Entertainment daardoor stelt te hebben geleden,
5.2.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen onder A en B van het petitum van de dagvaarding,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 januari 2025voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.HvJ EU 3 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:635 (
3.HvJ EU 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:28 (
4.HvJ EU van 25 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:685 (