ECLI:NL:RBAMS:2025:2490

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
10834104 \ CV EXPL 23-15342
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
HvJEU 3 september 2015, C-110/14 (Costea)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenbescherming bij online aankopen en bewijs bedrijfsdoeleinden onvoldoende

In deze civiele zaak tussen Bol.com B.V. en gedaagde partij, die niet is verschenen, staat centraal of de online aankopen door gedaagde zijn gedaan binnen de uitoefening van zijn bedrijf of als consument. De rechtbank stelt vast dat de eisende partij onvoldoende heeft toegelicht dat gedaagde handelde voor bedrijfsdoeleinden. De enkelheid van facturen en het ontbreken van een handelsregisteruittreksel maken dit niet aannemelijk.

De rechtbank verwijst naar het Costea-arrest van het HvJ EU, waarin het begrip consument objectief wordt uitgelegd aan de hand van het doel van de overeenkomst en de aard van de goederen. Omdat niet is vastgesteld dat gedaagde zakelijk handelde, moet hij als consument worden aangemerkt, met de bijbehorende bescherming.

Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om haar stelling nader te onderbouwen en aan te tonen dat zij heeft voldaan aan haar informatieplichten jegens gedaagde. Tevens moet zij de toepasselijke algemene voorwaarden overleggen en toelichten welke bedingen aan de vordering ten grondslag liggen en of deze eerlijk zijn. De zaak wordt aangehouden tot de volgende rolzitting.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en geeft eisende partij gelegenheid tot nadere onderbouwing van het zakelijke karakter van de aankopen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10834104 \ CV EXPL 23-15342
Vonnis van 15 april 2025
in de zaak van
BOL.COM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 november 2023, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat de overeenkomsten die in deze procedure centraal staan online zijn gesloten tussen haar en gedaagde partij, die handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
2.2.
Geoordeeld wordt dat eisende partij onvoldoende heeft toegelicht dat gedaagde partij bij het aangaan van de afzonderlijke overeenkomsten handelde voor doeleinden die binnen zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen. Uit de facturen met daarop de specificatie van de aankopen, kan zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet aanstonds worden vastgesteld dat de aankopen binnen de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van gedaagde partij vallen. De bedrijfsactiviteiten van gedaagde partij zijn bovendien niet aanstonds uit de naam van de onderneming op te maken en een uittreksel van het handelsregister is niet overgelegd.
2.3.
De omstandigheid dat iemand een onderneming drijft, dan wel de keuze maakt voor het bestellen van goederen via een zakelijk account, is niet allesbepalend voor de vraag of diegene al dan niet als consument is aan te merken. Het begrip consument is een objectief begrip. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea)).
2.4.
Eisende partij wordt opgedragen om in het licht van het voorgaande haar stelling dat gedaagde partij de goederen heeft gekocht terwijl hij handelde in de uitoefening van zijn bedrijf en niet als consument nader te onderbouwen.
2.5.
Voor het geval eisende partij niet in staat is om de gevraagde nadere onderbouwing te geven of de onderbouwing niet volstaat, moet gedaagde partij als consument worden aangemerkt. In dat geval komt gedaagde partij consumentenbescherming toe.
2.6.
Eisende partij wordt daarom ook in de gelegenheid gesteld om voor die situatie gemotiveerd te stellen dat de informatieplichten jegens gedaagde partij zijn nageleefd. Die stellingen moeten worden gesubstantieerd. Daarnaast dient eisende partij de op de overeenkomsten van toepassing verklaarde algemene voorwaarden in het geding te brengen. De algemene voorwaarden die zij bij dagvaarding heeft overgelegd, zien namelijk op overeenkomsten gesloten tussen eisende partij en een consument, terwijl eisende partij in de dagvaarding heeft gesteld dat gedaagde partij zakelijke overeenkomsten heeft gesloten. De overgelegde algemene voorwaarden kunnen derhalve niet op de tussen partijen gesloten overeenkomsten van toepassing zijn. Naast het overleggen van de algemene voorwaarden die op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard, dient eisende partij de bedingen te noemen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen.
2.7.
De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol.
2.8.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 13 mei 2025 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij zoals bepaald in overwegingen 2.4 en 2.6,
3.2.
bepaalt dat eisende partij aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.8,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.
991