De zaak betreft de invoer van teakhout uit Myanmar door [bedrijfsnaam 1], waarbij het Openbaar Ministerie verdachte verwijt feitelijke leiding te hebben gegeven aan het niet naleven van de zorgvuldigheidsvereisten uit de Europese Houtverordening (EUTR). Het onderzoek startte na een handhavingsverzoek van de Environmental Investigation Agency en een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Havik. Verdachte werd ervan verdacht als marktdeelnemer te hebben gehandeld en de invoer via Italië en Kroatië als schijnconstructie te hebben gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat [bedrijfsnaam 1] niet als marktdeelnemer kan worden aangemerkt, omdat de feitelijke inklaring van het hout bij de douane door importeurs in Italië en Kroatië is verricht. Deze importeurs voldeden aan de zorgvuldigheidseisen en hun controles werden goedgekeurd door bevoegde autoriteiten, wat het beginsel van wederzijdse erkenning en het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel ondersteunt. De stelling van het Openbaar Ministerie dat sprake zou zijn van een schijnconstructie is onvoldoende onderbouwd.
De verdediging voerde aan dat verdachte mocht vertrouwen op de controles van de buitenlandse autoriteiten en dat geen opzet tot strafbaar handelen aanwezig was. De rechtbank volgt dit standpunt en spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten wegens ontbreken van bewijs dat [bedrijfsnaam 1] als marktdeelnemer heeft gehandeld of medepleger is geweest. De vervolging wordt niet-ontvankelijk verklaard en het ten laste gelegde feit wordt niet bewezen verklaard.