De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 maart 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) van België voor de overlevering van een Nederlander die een vrijheidsstraf van drie jaar moet uitzitten. De opgeëiste persoon was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. De rechtbank stelde vast dat de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon correct waren.
Het EAB betrof strafbare feiten waaronder witwassen, informaticacriminaliteit en oplichting, waarvan een deel als lijstfeiten onder de Overleveringswet valt. Voor het feit 'inmenging in openbare ambten' was dubbele strafbaarheid vereist, maar aan deze eis werd voldaan. De rechtbank onderzocht of de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kon worden overgenomen op grond van artikel 6a OLW.
De raadsman voerde aan dat de opgeëiste persoon in Nederland geworteld is en zijn straf hier wil uitzitten, wat de resocialisatie ten goede komt. De officier van justitie betwistte dit en wees op eerdere schorsingsvoorwaarden en verblijf in meerdere landen. De rechtbank concludeerde dat Nederland het centrum van de belangen van de opgeëiste persoon vormt en dat overname van de tenuitvoerlegging passend is.
Daarom werd de overlevering geweigerd en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen. De gevangenhouding van de opgeëiste persoon werd tot aan de tenuitvoerlegging gehandhaafd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.