Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de beschikking van 13 maart 2025;
- de e-mailberichten van mr. Wijnakker van 17, 24 en 27 maart 2025;
- het e-mailbericht van de griffier aan partijen van 24 maart 2025;
- de e-mailberichten van mr. Thiescheffer van 24 maart 2025 en 8 april 2025.
2.De beoordeling
naastdeze vragen ook de zg. Tromp/Elemans-vraagstelling voor te leggen en daartoe - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. De Tromp/Elemans-vraagstelling is geschikter voor de beoordeling van het juridisch causaal verband door de rechtbank, dan de standaard vraagstelling van de NvN. Wel is het de vraag of deskundigen [naam deskundige 3] en [naam deskundige 2] met deze vraagstelling willen werken (zie het conceptrapport van [naam deskundige 2] , hoofdstuk 5 ‘Geneeskundig rapport’, paragraaf ‘inrichting van het onderzoek’, onder het tweede en derde gedachtestreepje). Omdat de Tromp/Elemans-vraagstelling juristen waardevolle informatie verschaft, stelt [verzoekster] voor dat de rechtbank aan de deskundige beide vraagstellingen ter beantwoording voorlegt. De verwachting is dat het beantwoorden van de Tromp/Elemans-vraagstelling niet veel extra tijd vergt, nu het alleen om het beantwoorden van extra vragen gaat, op basis van toch al verricht neuropsychologisch onderzoek in het kader van het beantwoorden van de NvN-vragen.
naastde reeds voorgelegde vragen de Tromp/Elemans-vraagstelling te beantwoorden (met uitzondering van de daarin opgenomen suggestie voor een hulponderzoek door een ergotherapeut). Verder zal zij, gelet op het tijdsverloop van bijna 15 jaar sinds het ongeval een aanvullende vraag toevoegen. Indien de deskundige op enigerlei wijze niet uit de voeten kan met (onderdelen van) de vraagstelling, dient hij dit aan de rechtbank kenbaar te maken.
3.De beslissing
- de helderheid van bewustzijn, zoals bedoeld in de oorspronkelijke standaard NPO-vraagstelling;
resultaten, wilt u dan vermelden:
- welke factoren dat zijn geweest;
- welke invloed die op de resultaten hebben gehad;
- hoe u dat hebt kunnen meten.
Bestonden bij betrokkene voor het ongeval reeds neurocognitieve klachten op uw vakgebied die de betrokkene thans nog steeds heeft?
Is naar uw deskundig oordeel sprake van een stabiele situatie? Of anders geformuleerd: acht u de huidige toestand van de betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van de ongevalsgerelateerde neurocognitieve klachten mogelijk is of verwacht u in de toekomst nog belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?