Gedaagde schreef zich in bij Inholland voor het studiejaar 2023-2024 en gaf een digitale machtiging voor automatische incasso van het collegegeld. Incasso's mislukten meerdere malen, waarna Inholland betalingsachterstand constateerde en het volledige bedrag opeisbaar stelde. Ondanks aanmaningen bleef betaling uit. Gedaagde betaalde een bedrag dat betrekking had op een vorig studiejaar en ontkende verdere betalingsverplichtingen.
De kantonrechter toetste ambtshalve of de bedingen in de overeenkomst oneerlijk waren, mede gelet op consumentenrecht en de Wet op het hoger onderwijs. De bedingen bleken niet oneerlijk omdat zij in lijn waren met wettelijke bepalingen omtrent incassokosten en betalingsverplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde het verschuldigde collegegeld voor 2023-2024 niet had voldaan, ondanks ontvangst van aanmaningen en kennis van de betalingsachterstand. Het feit dat gedaagde het getuigschrift ontving, werd niet als vrijwaring van betalingsverplichting gezien. De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.