Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:3489

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
C/769574 / HA RK 25-171
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek afgewezen wegens gebrek aan gegronde feiten voor rechterlijke vooringenomenheid

Verzoeker, woonachtig in Ierland en gedaagde in een civiele procedure, diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid. Verzoeker stelde dat zijn internationale achtergrond en dubbele nationaliteit mogelijk leidden tot ongelijke behandeling en dat de rechtbank de procedure onredelijk voortzette ondanks zijn bereidheid tot oplossing.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek op grond van artikel 36 Rv Pro en concludeerde dat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar brachten of de schijn daarvan wekten. De argumenten van verzoeker behoren behandeld te worden in de hoofdzaak, waar de procedure een mondelinge behandeling kent.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was en dat een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege kon blijven. De beslissing werd uitgesproken op 23 mei 2025 en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantonen of de schijn daarvan wekken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 24 april 2025 bij het team kanton ingediende en op 6 mei 2025 aan de Wrakingskamer doorgezonden en onder rekestnummer C/13/769574 / HA RK 25-171 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te Ierland,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
 het wrakingsverzoek met bijlagen van 24 april 2025.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Verzoeker is gedaagde partij in een zaak die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer 1556021 CV 25-3380). In deze zaak is op 10 juni 2025 een mondelinge behandeling gepland.
2.2.
Verzoeker heeft onder meer aangevoerd:
“De kern van mijn bezwaar is als volgt:
• De eiser heeft geweigerd de fatbike terug te nemen binnen een redelijke termijn, ondanks mijn expliciete waarschuwing dat er een terugboeking via American Express zou plaatsvinden.
• Hij heeft deze chargeback niet aangevochten, ondanks dat hij daartoe in staat was.
• Nu wordt van mij verwacht dat ik financieel aansprakelijk word gehouden, ondanks dat ik open heb gestaan voor een oplossing en nog steeds bereid ben de fiets terug te geven — als ik daartoe fysiek in staat word gesteld.
Tot zover is dit een klassiek geval van misplaatste aansprakelijkheid. Maar wat voor mij zorgelijk is, is dat de rechtbank deze procedure niet heeft teruggewezen, ondanks de evidentie dat:
1. De eiser de kern van zijn eigen probleem heeft veroorzaakt,
2. Ik al herhaaldelijk in detail heb uitgelegd waarom ik niet in staat ben de fiets terug te geven,
3. Ik zelfs een regeling heb aangeboden, waar geen inhoudelijke reactie op is gekomen.
Mijn indruk is dat deze zaak alleen blijft voortduren omdat ik als internationale Nederlander – met een accent, dubbele nationaliteit, en woonachtig in Ierland – niet als gelijkwaardig juridisch subject word gezien. De eiser gaat ervan uit dat ik een zwakke partij ben. En tot nu toe heeft het systeem die indruk niet weerlegd.
Ik stel geen directe beschuldiging van bewuste vooringenomenheid. Maar ik kan niet anders dan concluderen dat de feiten volledig aan mijn kant staan, en toch wordt ik als procespartij onevenredig belast, zonder dat de rechtbank een correctie toepast die onder deze omstandigheden redelijk zou zijn geweest.
Daarom verzoek ik de rechter in deze zaak zich terug te trekken. Indien deze zaak wordt voortgezet, dan verzoek ik dat dit onder een andere rechter plaatsvindt.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
Aan het verzoek zijn geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, althans waarom de objectiveerde schijn daartoe zou zijn gewekt. De argumenten die verzoeker aanvoert dienen tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak aan de orde te komen. Het is niet aan de rechter om in de hoofdzaak de zaak “terug te wijzen”, dit kan alleen als de eiser in die zaak het verzoek intrekt, bijvoorbeeld omdat een minnelijke regeling tot stand is gekomen. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.