ECLI:NL:RBAMS:2025:3565

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
30 mei 2025
Zaaknummer
13.124.039-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van de Overleveringswet in verband met een Pools Europees Aanhoudingsbevel

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 15 mei 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot het in behandeling nemen van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Szczecin, Polen. De opgeëiste persoon, geboren in Polen, werd bijgestaan door zijn raadsman en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. Tijdens de zittingen op 2 april, 16 april en 13 mei 2025 zijn verschillende juridische aspecten van het EAB besproken, waaronder de dubbele strafbaarheid en de toepassing van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de rechtsprocedures in Polen, wat leidde tot de conclusie dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moest worden geweigerd. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft en dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland kan bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Uiteindelijk heeft de rechtbank de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevolen, met gelijktijdige gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.124.039-24
Datum uitspraak: 15 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 20 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2024 door
the Regional Court in Szczecinin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 april 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Op 16 april 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. [3] Het onderzoek ter zitting is heropend onder gelijktijdige schorsing daarvan om de vertaling af te wachten van aanvullende informatie die op de dag van de zitting nog door de uitvaardigende justitiële autoriteit was verstrekt. Deze informatie zag op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en betrof de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen.
Ter zitting van 13 mei 2025 is de behandeling van het EAB met toestemming van de officier van justitie en de raadsman hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 16 april 2025. De behandeling van het EAB heeft op de zitting van 13 mei 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 16 april 2025

Bij tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de dubbele strafbaarheid van de feiten en de toepassing van artikel 11 OLW in relatie tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Vonnis II K 416/20 / arrest IV Ka 1411/21 (verzamelvonnis)
Inleiding
In haar tussenuitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat omdat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordeed. In de procedure in hoger beroep is de opgeëiste persoon die op de hoogte was van het voorgenomen proces namelijk, kort gezegd, door een door hem gemachtigd advocaat verdedigd.
Standpunt verdediging
Voorafgaand aan de zitting zijn kopieën overgelegd van de machtigingen die aan de Poolse advocaat zijn verstrekt die de opgeëiste persoon in eerste aanleg en hoger beroep zou hebben vertegenwoordigd. Bij een vergelijking van de handtekening op de machtigingen met de handtekening op andere documenten van de opgeëiste persoon, lijken de machtigingen niet door hem te zijn ondertekend. Dit onderbouwt zijn standpunt dat hij niet op de hoogte was van het verzamelvonnis en geen advocaat heeft gemachtigd om hem in die procedure te vertegenwoordigen. Gelet daarop dient de overlevering te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.
Standpunt officier van justitie
Hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, doet niet af aan het oordeel van de
rechtbank in haar tussenuitspraak. Gelet op het vertrouwensbeginsel dient te worden uitgegaan van de mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat de opgeëiste persoon in de hoger beroepsprocedure IV Ka 1411/21 door een door hem gemachtigd advocaat is vertegenwoordigd, nog daargelaten dat de handtekening op de beide machtigingen niet bijster veel afwijkt van de handtekening op andere documenten in het dossier.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt en niet leidt tot een heroverweging van hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraak van 16 april jongstleden heeft geoordeeld. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem zijn verdediging te voeren. De overgelegde kopieën van de machtigingen waaruit volgens de verdediging zou blijken dat hierop niet de handtekening van de opgeëiste persoon staat, geven geen aanleiding van dit oordeel af te wijken.
Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft overwogen, wat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de rechtbank dan ook van oordeel dat artikel 12 OLW wat betreft het verzamelvonnis niet aan overlevering in de weg staat.
De aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen
Inleiding
Uit de aanvullende informatie van 1 april 2025 blijkt dat aan het verzamelvonnis drie vonnissen ten grondslag liggen:
een vonnis van
the District Court in Kaliszmet zaaknummer II K 536/13;
een vonnis van
the District Court in Pleszewvan 24 februari 2016 met zaaknummer
II K 461/15;
een vonnis van
the District Court in Świnoujście in the Kamień Pomorski branchvan 25 januari 2013 met zaaknummer VII K 36/13.
Bij brief van 1 april 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat in geen van deze zaken een appelprocedure heeft plaatsgevonden.
Uit de aanvullende informatie van 18 maart, 1 april en 24 april 2025 blijkt verder dat de opgeëiste persoon in alle zaken een adresinstructie heeft ontvangen, namelijk op:
20 juni 2013;
9 juni 2015;
25 juli 2021.
De opgeëiste persoon heeft in alle zaken voor ontvangst van de instructie getekend.
Verder is het volgende ten aanzien van deze vonnissen meegedeeld:
het vonnis met zaaknummer II K 536/13:
De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en evenmin is hij vertegenwoordigd door een (door hem gemachtigd) advocaat. De opgeëiste persoon heeft de oproeping voor de zitting niet in ontvangst genomen. Op grond van artikel 139, eerste lid, van het Poolse wetboek van Strafvordering werd de oproeping als betekend aangemerkt.
het vonnis met zaaknummer II K 461/15
De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, op 24 februari 2016, en evenmin is hij vertegenwoordigd door een (door hem gemachtigd) advocaat. De opgeëiste persoon heeft de oproeping voor de zitting niet in ontvangst genomen. Op grond van artikel 139, eerste lid, van het Poolse wetboek van Strafvordering werd de oproeping als betekend aangemerkt.
het vonnis met zaaknummer VII K 36/13
De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, op 25 januari 2013, en evenmin is hij vertegenwoordigd door een (door hem gemachtigd) advocaat. De opgeëiste persoon heeft de oproeping voor de zitting niet in ontvangst genomen. Op grond van artikel 139, eerste lid, van het Poolse wetboek van Strafvordering werd de oproeping als betekend aangemerkt.
Standpunt van de verdediging
De aanvullende informatie bevat veel onduidelijkheden. Zo wordt er gerept over vonnissen waarvan later blijkt, nadat hier navraag naar is gedaan, dat deze niet aan het verzamelvonnis ten grondslag liggen. Verder zou de opgeëiste persoon in de zaak met nummer VII K 36/13 op 25 juli 2021 een adresinstructie hebben ontvangen. De opgeëiste persoon verblijft echter sinds 2015 niet meer in Polen en is ook nimmer teruggekeerd naar Polen.
Gelet op de fouten en onduidelijkheden in de aanvullende informatie, kan hier niet op worden vertrouwd en evenmin heeft het zin om hieromtrent nog nadere vragen te stellen. Daarom moet de overlevering worden geweigerd, dan wel moet, indien de overlevering niet op grond van artikel 12 OLW maar op grond van artikel 6a OLW zou worden geweigerd, in de uitspraak worden opgenomen dat er onduidelijkheid bestaat ten aanzien van het vonnis met nummer VII K 36/13.
Standpunt van de officier van justitie
Alle vonnissen die ten grondslag liggen aan het verzamelvonnis zijn in eerste aanleg afgedaan en de opgeëiste persoon heeft in persoon een adresinstructie ontvangen en is op het door hem opgegeven adres opgeroepen, gelet op het door de uitvaardigende justitiële autoriteit gemelde artikel 139, eerste lid, van het Poolse wetboek van Strafvordering. Daarom kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om zijn verdediging te voeren. Wat betreft de adresinstructie die in het vonnis met nummer VII K 36/13 is verstrekt is sprake van een kennelijke verschrijving wat betreft de datum, meer in het bijzonder het jaar, waarop/in de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ontvangen. Het feit is op 13 juli 2012 gepleegd en voor de hand ligt dat de opgeëiste persoon op 25 juli 2012 een adresinstructie heeft ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de drie processen die tot de beslissingen met zaaknummers II K 536/13, II K 461/15 en VII K 36/13 hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden hebben voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in alle zaken in persoon een adresinstructie heeft ontvangen en voor ontvangst heeft getekend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in de zaak met nummer VII K 36/13 sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving en de adresinstructie niet in 20
21maar in 20
12is uitgereikt. Op 26 mei 2021 is immers in eerste aanleg het verzamelvonnis gewezen waaraan ook de zaak met nummer VII K 36/13 ten grondslag ligt. Het ligt niet voor de hand dat twee maanden later nog een adresinstructie ten behoeve van de behandeling van die onderliggende strafzaak zou worden verstrekt. De rechtbank volgt de raadsman dus niet ten aanzien van zijn standpunt met betrekking de door hem gesignaleerde onduidelijkheid.
Zoals de rechtbank ambtshalve bekend is houdt een Poolse adresinstructie, kort gezegd, in dat een verdachte een adres moet opgeven waarop hij bereikbaar zal zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten. Tevens wordt de verdachte er in een dergelijke instructie van op de hoogte gesteld dat hij iedere adreswijziging dient door te geven en wordt hij op de hoogte gesteld van de gevolgen als hij dit niet doet, namelijk dat een oproeping voor een zitting dan aan het door hem opgegeven adres wordt gezonden en als correct betekend wordt aangemerkt, alsmede dat de strafrechtelijke procedure dan zonder zijn aanwezigheid zal kunnen plaatsvinden. Dit blijkt ook uit de kopie van een adresinstructie in de zaak met nummer II K 461/15 die bij de aanvullende informatie is gevoegd.
De rechtbank volgt de officier van justitie tegen deze achtergrond voorts in het standpunt dat er van kan worden uitgegaan dat de oproepingen in alle drie de zaken zijn gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. In de aanvullende informatie wordt in dit verband immers uitdrukkelijk verwezen naar artikel 139, lid 1, van het Poolse wetboek van strafvordering, waarvan de rechtbank ambtshalve bekend is dat deze bepaling voorziet in de mogelijkheid van betekening op het opgegeven adres van een persoon die zijn nieuwe adres niet heeft meegedeeld. De oproepingen zijn echter niet door de opgeëiste persoon in ontvangst genomen, waardoor hij buiten zijn aanwezigheid is berecht.
Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie betreffende de strafrechtelijke procedures.
De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

In haar tussenuitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de in de tussenuitspraak onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szeczecinin Polen;
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 16 april 2025 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde – geschorste - overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en F.K. Verbruggen, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde, vierde en vijfde lid OLW).
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (