De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2025 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 13 maart 2025. Het EAB betreft een strafbaar feit van georganiseerde of gewapende diefstal, waarvoor in Oostenrijk een gevangenisstraf van ten minste drie jaar kan worden opgelegd.
De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en een tolk. De verdediging voerde een gelijkstellingsverweer aan, stellende dat de persoon als Nederlander gelijkgesteld moest worden om de straf in Nederland te kunnen ondergaan. De officier van justitie betwistte dit, stellende dat de persoon niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, wat noodzakelijk is voor gelijkstelling.
De rechtbank oordeelde dat het gelijkstellingsverweer faalt omdat de opgeëiste persoon tussen augustus 2020 en maart 2022 in Roemenië verbleef en daar ingeschreven stond, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken verblijf. Verder concludeerde de rechtbank dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 10 juni 2025, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze beslissing.