ECLI:NL:RBAMS:2025:4019

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
11523049 \ KK EXPL 25-64
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot veroordeling in proceskosten na intrekking kort geding

Prologis Management B.V. heeft een kort geding aangespannen tegen de gedaagde met de vordering dat de gedaagde meewerkt aan onderzoek naar vertrouwelijke bedrijfsdocumenten en het verwijderen daarvan. Kort voor de zitting heeft Prologis het kort geding ingetrokken. De gedaagde verzocht daarop de rechtbank om Prologis te veroordelen in de werkelijke proceskosten, stellende dat Prologis onrechtmatig had gehandeld door een kansloze procedure te starten.

De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de procedure kansloos was. Prologis had een voldoende belang bij het instellen van de procedure, omdat niet kon worden uitgesloten dat de gedaagde nog steeds over vertrouwelijke documenten beschikte die bedrijfsgeheimen bevatten. Tevens is volgens de rechtbank een intrekking van een procedure niet gelijk te stellen met het in het ongelijk stellen van een partij.

Daarom is geen sprake van onrechtmatig procesgebruik door Prologis en bestaat er geen grond voor toewijzing van de proceskostenveroordeling. Het verzoek van de gedaagde wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot veroordeling in proceskosten na intrekking kort geding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11523049 \ KK EXPL 25-64
Vonnis in kort geding van 12 juni 2025
in de zaak van
PROLOGIS MANAGEMENT B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Prologis,
gemachtigde: mr. M. Benbrahim,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.G. Veldhuizen.

1.De procedure

1.1.
Prologis heeft het kort geding ingetrokken kort voordat de zaak op de zitting van 13 mei 2025 zou worden uitgeroepen. Dezelfde dag heeft [gedaagde] per e-mail meegedeeld dat zij wenst dat de kantonrechter Prologis veroordeelt in de werkelijke proceskosten. Prologis heeft op hierop gereageerd bij e-mail van 19 mei 2025. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
1.2.
In het kort geding vorderde Prologis – kort gezegd – dat [gedaagde] meewerkt aan onderzoek om vast te stellen over welke vertrouwelijke bedrijfsdocumenten [gedaagde] beschikt en om mee te werken aan het verwijderen ervan.
1.3.
[gedaagde] voert aan dat hij zijn communicatiemiddelen heeft ingeleverd voor onderzoek en hij aan dit onderzoek volledig heeft meegewerkt. Omdat Prologis desondanks een zittingsdatum heeft gevraagd, en omdat (een deel van) de vordering evident kansloos was, heeft zij misbruik gemaakt van procesrecht en onrechtmatig gehandeld jegens hem. Prologis moet daarom de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van [gedaagde] betalen. Subsidiair wil [gedaagde] dat Prologis wordt veroordeeld in de proceskosten conform het toepasselijke liquidatietarief omdat zij als in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv Pro heeft te gelden.

2.De beoordeling

2.1.
[gedaagde] heeft zijn verzoek tijdig ingediend, want het is binnengekomen binnen de daarvoor gestelde termijn van veertien dagen na de dag van de zitting. Door de indiening van het verzoek is het kort geding nog steeds aanhangig.
2.2.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet gebleken is dat sprake is van een kansloze procedure. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Prologis op voorhand al behoorde te begrijpen dat haar vorderingen in dit kort geding kansloos waren. Prologis heeft voldoende onderbouwd dat zij belang had bij het instellen en aanhangig houden van onderhavige procedure, omdat zij niet volledig kan uitsluiten dat [gedaagde] nog steeds beschikt over vertrouwelijke documenten van Prologis, welke tevens bedrijfsgeheimen kunnen bevatten, met een risico op ongeoorloofde verspreiding ervan.
2.3.
Prologis verwijst verder terecht naar het arrest van de Hoge Raad [1] , waarin is geoordeeld dat een partij die een procedure intrekt niet gelijkgesteld kan worden aan een in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv Pro.
2.4.
Uit het voorgaande volgt dat Prologis niet tegen beter weten in een kansloze procedure is gestart. Er is daarom geen grond voor toewijzing van een veroordeling in de (werkelijke) proceskosten op de grond dat Prologis haar procesbevoegdheid onrechtmatig heeft uitgeoefend.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering van [gedaagde] om Prologis te veroordelen in de werkelijke proceskosten, althans in de proceskosten conform het liquidatietarief, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025.
57327

Voetnoten

1.Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087.