ECLI:NL:RBAMS:2025:4022

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
756245
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke erkentenis van een vordering uit overeenkomst in een internationale context

In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, vordert eiser, woonachtig in Monaco, betaling van een bedrag van € 134.500 van gedaagde, woonachtig in Marokko, op basis van participatieovereenkomsten. Eiser en gedaagde hebben in de periode van 8 maart 2012 tot 8 augustus 2013 overeenkomsten gesloten waarbij eiser en zes andere participanten geld hebben geïnvesteerd in een bouwproject van gedaagde. De afspraken omvatten een terugbetaling van de investeringen vermeerderd met een winstvergoeding. Gedaagde heeft echter de vorderingen onbetaald gelaten, met uitzondering van een gedeeltelijke betaling van € 7.500. Eiser heeft de vorderingen van de andere participanten in april 2024 gecedeerd.

Tijdens de procedure heeft gedaagde erkend dat hij de bedragen verschuldigd is, maar heeft hij ook aangevoerd dat hij door verschillende tegenslagen, zoals de coronapandemie en juridische problemen, niet in staat is geweest om te betalen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de erkenning van gedaagde een gerechtelijke erkenning oplevert, waardoor de vordering toewijsbaar is. De rechtbank heeft de vordering van eiser, inclusief de rente en kosten, toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, waarvoor onvoldoende onderbouwing was gegeven. Gedaagde is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, de kosten van beslag en vertaling, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/756245 / HA ZA 24-989
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] (Monaco),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] (Marokko),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.T. Zoutberg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2024 met producties
- de conclusie van antwoord van 26 november 2024 met producties
- het tussenvonnis van 22 januari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 maart 2025
- de nadere akte houdende overlegging producties tevens houdende wijziging van eis van [eiser] van 9 april 2025 met producties
- de rolbeslissing van 7 mei 2025 waarin akte niet dienen is verleend aan [gedaagde] voor het nemen van een antwoordakte.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In de periode van 8 maart 2012 - 8 augustus 2013 hebben [eiser] en zes andere personen ( [eiser] c.s.), allen vrienden en kennissen, overeenkomsten gesloten met [gedaagde] (de participatieovereenkomsten).
2.2.
Op grond van de participatieovereenkomsten stelden [eiser] c.s. ieder een bedrag van tussen de € 5.000 en € 25.000 (de participaties) beschikbaar aan [gedaagde] ten behoeve van een bouwproject van [gedaagde] in Marokko (het project). Daarbij is afgesproken dat de participaties, elk vermeerderd met 25% inzake
winstvergoeding, bij de verkoop van het project door [gedaagde] aan [eiser] c.s. zouden worden terugbetaald.
2.3.
Toen verkoop van het project in de jaren erna uitbleef hebben [eiser] c.s. en [gedaagde] een aantal nadere afspraken gemaakt, waaronder de afspraken dat de winstvergoeding zou worden verhoogd tot 40%, dat de vordering met ingang van 31 oktober 2018 opeisbaar zou zijn en dat met ingang van die datum het terug te betalen totaalbedrag zou worden vermeerderd met 5% rente per jaar.
2.4.
De (erfgenamen van) [eiser] c.s. hebben hun vorderingen uit hoofde van de participatieovereenkomsten met [gedaagde] in april 2024 aan [eiser] gecedeerd.
2.5.
[gedaagde] heeft de vorderingen van [eiser] c.s., op een op 7 juni 2024 aan [eiser] betaald bedrag van € 7.500 na, onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
  • betaling van € 134.500, te vermeerderen met 5% contractuele rente per jaar vanaf 31 oktober 2018;
  • betaling van € 2.245 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024;
  • betaling van de proceskosten, waaronder begrepen een bedrag van € 2.340,26 inzake in Marokko gemaakte beslag- en vertalingskosten.
3.2.
[eiser] legt aan deze vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van de participatieovereenkomsten en de nadien gemaakte afspraken is [gedaagde] , nadat de overige participanten hun vorderingen aan [eiser] hadden gecedeerd, in totaal een bedrag van € 134.500 aan [eiser] verschuldigd. Ondanks het feit dat [gedaagde] diverse malen heeft erkend dat hij de participaties, vermeerderd met de overeengekomen winstvergoeding en rente is verschuldigd en dat de vordering van [eiser] c.s. uit dien hoofde opeisbaar is, heeft [gedaagde] het door hem verschuldigde bedrag niet betaald. Naast deze hoofdsom en buitengerechtelijke kosten vordert [eiser] de door hem in Marokko gemaakte kosten van € 2.340,26 voor vertalingen en het leggen van conservatoir beslag op eigendommen van [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering, maar geeft aan deze nog niet te hebben kunnen betalen wegens tegenslagen, waaronder de coronapandemie, de financiële crisis, een aardbeving, faillissement van subcontractors en juridische problemen in Marokko. Ook voert [gedaagde] – voor het eerst op de mondelinge behandeling – aan dat de vordering deels is verjaard en deels niet opeisbaar is.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Forum en rechtskeuze
4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [eiser] woonachtig is in Monaco en [gedaagde] in Marokko. De rechtbank zal daarom (ambtshalve) toetsen of zij bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is. Artikel 25 lid 1 sub a Brussel I-bis [1] bepaalt dat wanneer partijen bij overeenkomst een gerecht hebben aangewezen dit gerecht bevoegd is over de geschillen tussen partijen te oordelen. Partijen hebben in de participatieovereenkomsten een forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam opgenomen. De rechtbank acht zich daarom bevoegd van de vordering kennis te nemen. Op grond van artikel 3 Rome I [2] is Nederlands recht van toepassing, nu partijen daar in de participatieovereenkomsten voor hebben gekozen.
Gerechtelijke erkentenis
4.2.
In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] het door [eiser] in de dagvaarding gestelde, waaronder de gemaakte (betalings)afspraken en de opeisbaarheid van de door [eiser] gevorderde bedragen, erkend. Ook ter zitting heeft [gedaagde] de vordering erkend en uitgesproken dat hij wil betalen.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat de uitlatingen van [gedaagde] een gerechtelijke erkentenis opleveren, zoals bedoeld in artikel 154 lid 1 Rv. Van een rechtsgeldige herroeping van de erkentenis is niet gebleken. Tot uitgangspunt strekt dan ook dat het in hoofdsom gevorderde bedrag, vermeerderd met de rente als gevorderd, toewijsbaar is.
4.4.
Ter zitting heeft (de raadsman van) [gedaagde] zich ook op het standpunt gesteld dat een deel van de vordering is verjaard en dat een ander deel van de vordering niet opeisbaar is. Deze standpunten kunnen echter – wat daar verder ook van zij – niet afdoen aan de rechtsgevolgen van de uitdrukkelijke erkenning door [gedaagde] dat hij de gevorderde bedragen verschuldigd is.
4.5.
De omstandigheden die [gedaagde] aanvoert ter verklaring van het achterwege blijven van betaling ontslaan hem evenmin van zijn contractuele verplichtingen tegenover [eiser] .
Beslagkosten en kosten van vertaling
4.6.
Na de mondelinge behandeling heeft [eiser] de door hem in Marokko gemaakte, kosten van beslag, betekening en vertaling nader gespecificeerd en onderbouwd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [gedaagde] hierop niet meer gereageerd. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van de door [eiser] gegeven onderbouwing.
4.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] ook op dit punt zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.8.
[eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd ten bedrage van € 2.245. [eiser] heeft niet gesteld welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
168,72
- griffierecht
2.626
- salaris advocaat
3.858
(2 punten × € 1.929)
- nakosten
178
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.830,72

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 134.500, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 5% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 oktober 2018, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.340,26 aan kosten van beslag en vertaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.830.72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.W. Pulles en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.