In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, vordert eiser, woonachtig in Monaco, betaling van een bedrag van € 134.500 van gedaagde, woonachtig in Marokko, op basis van participatieovereenkomsten. Eiser en gedaagde hebben in de periode van 8 maart 2012 tot 8 augustus 2013 overeenkomsten gesloten waarbij eiser en zes andere participanten geld hebben geïnvesteerd in een bouwproject van gedaagde. De afspraken omvatten een terugbetaling van de investeringen vermeerderd met een winstvergoeding. Gedaagde heeft echter de vorderingen onbetaald gelaten, met uitzondering van een gedeeltelijke betaling van € 7.500. Eiser heeft de vorderingen van de andere participanten in april 2024 gecedeerd.
Tijdens de procedure heeft gedaagde erkend dat hij de bedragen verschuldigd is, maar heeft hij ook aangevoerd dat hij door verschillende tegenslagen, zoals de coronapandemie en juridische problemen, niet in staat is geweest om te betalen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de erkenning van gedaagde een gerechtelijke erkenning oplevert, waardoor de vordering toewijsbaar is. De rechtbank heeft de vordering van eiser, inclusief de rente en kosten, toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, waarvoor onvoldoende onderbouwing was gegeven. Gedaagde is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, de kosten van beslag en vertaling, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.