ECLI:NL:RBAMS:2025:4073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
11448458 \ CV EXPL 24-15855
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling aflossing hoofdelijke hypothecaire lening tussen schuldenaren

Op 4 mei 1994 sloten eiser en gedaagde een hypothecaire lening af van 207.500 gulden met hoofdelijke aansprakelijkheid. In een notariële akte van augustus 1994 werd vastgelegd dat gedaagde 100.000 gulden van de schuld op zich nam (48,19%) en eiser de rest (51,81%).

In 2015 bepaalde de kantonrechter dat eiser 68% en gedaagde 32% van het pand gebruikte en dat zij de kosten naar rato moesten dragen. In 2024 liep de lening af en werd het openstaande bedrag afgelost, waarbij eiser aanvankelijk de helft betaalde en gedaagde 32%, gevolgd door een aanvullende betaling van eiser.

Eiser vorderde betaling van het verschil uitgaande van gelijke verdeling, maar de rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke schuldverdeling uit 1994 leidend is. Hierdoor heeft eiser € 15.244,40 te veel betaald. Ook werd buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen aan eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 15.244,40 plus rente en kosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11448458 \ CV EXPL 24-15855
Vonnis van 4 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.E. van Huet.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 december 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties.
- het tussenvonnis van 25 februari 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 4 mei 1994 hebben [eiser] en [gedaagde] een lening van 207.500 gulden afgesloten met hypotheek op het pand aan de [adres] . De lening had een looptijd van 30 jaar en was aflossingsvrij. Dat betekent dat gedurende de looptijd alleen rente werd betaald en het geleende bedrag aan het einde in één keer moest worden afgelost.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de lening, wat wil zeggen dat zij beiden kunnen worden aangesproken voor het gehele bedrag.
2.3.
In een op 24 augustus 1994 verleden notariële akte “economische eigendomsoverdracht” (hierna: de akte economische eigendomsoverdracht), waarin [eiser] wordt aangeduid als “verkoper” en [gedaagde] als “koper”, staat, voor zo ver hier van belang, het volgende:
“(...) Verkoper is eigenaar in Juridische zin van (...) [adres] (...)
hierna ook te noemen: “het registergoed”. (...).
Verkoper heeft bij mondelinge overeenkomst de dato drie mei negentienhonderdvierennegentig verkocht aan koper, die van verkoper heeft gekocht, de onverdeelde helft van het registergoed (…).
De koopprijs bedraagt eenhonderdvijftigduizend gulden (f 150.000,00) welke wordt voldaan als volgt. Deels door overname van de hypothecaire schuld voor een bedrag van eenhonderdduizend gulden (f 100.000,00) en het restant zijnde vijftigduizend gulden (f 50.000,00) is voldaan doordat partijen bij wij ze van schuldvernieuwing laatst gemeld bedrag hebben omgezet in een vordering uit geldlening tot een gelijk bedrag van vijftigduizend gulden (f 50.000,00) (…).”
2.4.
Vanaf 2008 gebruikt [eiser] een groter deel van het pand dan [gedaagde] . In het vonnis van 24 februari 2015 heeft de kantonrechter bepaald dat het aandeel in het gebruik van het pand 68% ( [eiser] ) tegenover 32% ( [gedaagde] ) bedraagt en dat [eiser] daarom 68% moet bijdragen aan de kosten verbonden aan het pand, waaronder de kosten van de hypothecaire lening, en [gedaagde] 32%.
2.5.
Op 1 juni 2024 liep de hypothecaire lening af en moest het openstaande bedrag van € 94.159,39 (207.500 gulden omgerekend naar euro’s) worden terugbetaald. [eiser] heeft in eerste instantie € 47.079,70 betaald, de helft van het openstaande bedrag. [gedaagde] heeft € 30.131,- afgelost, 32% van het openstaande bedrag. Het resterende deel van de schuld, € 16.968,69, heeft [eiser] op een later moment betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
een hoofdsom van € 16.968,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024;
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.142,84;
de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, en de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij en [gedaagde] ieder voor de helft moeten bijdragen in de hypothecaire schuld. Op basis van deze verdeling heeft [gedaagde] € 16.968,69 te weinig afgelost.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert aan dat de verhouding van 68% ( [eiser] ) tegenover 32% ( [gedaagde] ) die de kantonrechter in het vonnis van 24 februari 2015 heeft vastgesteld ook geldt voor de aflossing van de hypothecaire lening.

4.De beoordeling

4.1.
Artikel 6:10 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bepaalt dat een hoofdelijke schuldenaar die meer betaalt dan het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, het teveel betaalde kan terugvorderen van de overige schuldenaren. Het gaat in deze zaak om de vraag welk aandeel [eiser] heeft in de schuld en welk aandeel [gedaagde] .
4.2.
De omvang van het aandeel van [eiser] en [gedaagde] in de hypothecaire schuld hangt af van hun onderlinge rechtsverhouding. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] en [gedaagde] hun onderlinge rechtsverhouding in de akte economische eigendomsoverdracht hebben willen regelen. Daarin staat dat [gedaagde] 100.000 gulden van de totale schuld van 207.500 gulden op zich neemt. Dat is een aandeel van 48,19%. De oorspronkelijke verhouding in de hypothecaire schuld was daarom als volgt: 51,81% voor rekening van [eiser] en 48,19% voor rekening van [gedaagde] .
4.3.
Volgens [gedaagde] is deze verhouding gewijzigd door het vonnis van 24 februari 2015. In die zaak ging het om de vraag hoe de afspraak die [eiser] en [gedaagde] hadden gemaakt over het gebruik van de eerste verdieping van het pand moest worden uitgelegd. De kantonrechter heeft destijds geoordeeld dat die afspraak inhield dat [eiser] de eerste verdieping mocht gebruiken en dat hij ter compensatie meer – namelijk 68% – zou bijdragen aan de kosten van bewoning en onderhoud van het pand. Aldus is in het vonnis van 24 februari 2015 een regeling vastgesteld voor het gebruik van het pand en de verdeling van de kosten.
4.4.
De afspraak neergelegd in de akte economische eigendomsoverdracht staat hier los van. Die houdt, kort gezegd, in dat [gedaagde] het recht krijgt op de waardeontwikkeling van de helft van het pand, tegen een koopsom die deels wordt voldaan door overname van 48,19% van de hypothecaire lening. Deze afspraak is niet gewijzigd door het vonnis van 24 februari 2015. Dat betekent dat de oorspronkelijke verhouding in de hypothecaire schuld van 51,81% ( [eiser] ) tegenover 48,19% ( [gedaagde] ) nog steeds geldt.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] een groter gedeelte van de schuld heeft betaald dan hem aangaat. [eiser] is echter uitgegaan van gelijke aandelen in de hypothecaire schuld in plaats van de verhouding 51,81% tegenover 48,19%. Op basis van deze verhouding heeft [eiser] niet € 16.968,69 te veel heeft betaald, maar € 15.244,40. Dit betekent dat een hoofdsom van € 15.244,40 zal worden toegewezen.
4.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 1.142,84 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 927,44 bij € 15.244,40 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 927,44 toe.
4.7.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,39
- griffierecht
706,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.249,39
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.244,40, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 18 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 927,44 aan buitengerechtelijke kosten
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.249,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, bijgestaan door mr. R.D. Lok en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2025.