Verzoeker diende op 25 februari 2025 een aanvraag in voor een tweede bewonersparkeervergunning voor een auto met een specifiek kenteken op een adres in Amsterdam-Noord. Het college wees deze aanvraag op 27 februari 2025 af, omdat verzoeker over een stallingsplaats zou beschikken. Verzoeker maakte bezwaar en ontving vervolgens naheffingsaanslagen voor onbetaald parkeren sinds de invoering van betaald parkeren op 7 april 2025.
Verzoeker verzocht op 21 mei 2025 om een voorlopige voorziening, omdat hij geen alternatieve parkeermogelijkheid heeft en het college niet reageerde op zijn herhaalde verzoeken om contact en toelichting. De voorzieningenrechter constateerde dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een stallingsplaats en onvoldoende heeft gereageerd op verzoekers argumenten, waaronder het gelijkheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet de vereiste zorgvuldigheid in de procedure heeft betracht en handelde in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarom werd een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt behandeld alsof hij in het bezit is van de gevraagde tweede bewonersparkeervergunning. Tevens werd het griffierecht aan verzoeker vergoed.