De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 juni 2025 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis met ernstig nadeel. Betrokkene was niet fysiek aanwezig bij de mondelinge behandeling en gaf via de telefoon aan het niet eens te zijn met de diagnose en zorgmachtiging, en verzocht de rechter op zijn woonlocatie te horen. De rechtbank besloot de mondelinge behandeling niet aan te houden, omdat betrokkene op de hoogte was gesteld en zijn standpunt telefonisch duidelijk had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn stoornis, waaronder lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang, en dat verplichte zorg noodzakelijk is. De zorgmachtiging omvat diverse maatregelen zoals medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie, voor de duur van zes maanden. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar en de zorg is evenredig en effectief.
De rechtbank wees het verzoek van de advocaat om de mondelinge behandeling aan te houden en de duur van de machtiging te beperken af. De beschikking is in het openbaar uitgesproken door rechter E. Dinjens.