Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 15 januari 2025, met producties;
2.De feiten
”
is; de rb]
op 13,7 bepaald. (..)
- de teruggaande beweging van [gedaagde] naar de fietsstrook een soort ‘hapering’ vertoont. In deze hapering heeft [eiser] mogelijk aanleiding gezien om aan te nemen dat de fietser niet direct de fietsstrook op zou rijden, waarmee de basis onder het door Dekra gekozen uitgangspunt met betrekking tot het moment waarop gereageerd had moeten worden, komt te vervallen;
- bij een situatie waarin sprake is van onduidelijkheid, een reactietijd van 0,6 seconden niet reëel is;
- bij de beschreven uitwijkmogelijkheid niet is betrokken dat er een stuurbeweging naar links had moeten worden gemaakt en Dekra de stuur/uitwijkbeweging te eenvoudig voorstelt.
3.Het geschil
Betriebsgefahr’ kan worden tegengeworpen. Nu het hier evenwel ging om een elektrische scooter, die minder impact heeft dan bijvoorbeeld een auto, was het
Betriefbsgefahrin dit geval gering. Dat blijkt ook wel uit het feit dat [gedaagde] ongeschonden uit het ongeval is gekomen. Het ‘eigen schuld percentage’ van [eiser] in relatie tot het ontstaan van het ongeval kan daarmee op 5% worden gesteld.
the International Journal of Epidemiology [2] ,dat vermeldt dat uit onderzoek is gebleken dat de kans op hersenletsel tien keer zo groot is als geen helm wordt gedragen. Tot slot moet bij de billijkheidscorrectie worden betrokken dat, ook als er een percentueel lage vergoedingsplicht op [gedaagde] komt te rusten, dit nog steeds grote, nadelige financiële gevolgen voor hem heeft, aangezien hij niet verzekerd is tegen deze schade, aldus (steeds) [gedaagde] .
4.De beoordeling
nietover zijn schouder keek. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat dat ook niet nodig was, omdat hij schuin reed en daarmee het overzicht had, maar nu het met name ging om het verkeer dat van achteren kwam en had kunnen komen, kan hij daarin niet worden gevolgd. In de gegeven situatie was het aangewezen dat hij een blik over zijn schouder zou werpen voordat hij de beweging terug naar de fietsstrook zou inzetten.
nietanticiperen op de verkeerssituatie en het niet reageren toen de situatie daarom vroeg, kan worden tegengeworpen. Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat [eiser] , toen [gedaagde] zijn slingerbeweging inzette en vervolgens corrigeerde, nog op behoorlijke afstand achter [gedaagde] reed. Hij had dus, indien alert en oplettend, kunnen zien wat er zich voor zijn ogen afspeelde en daarop kunnen reageren/anticiperen. Dat [eiser] [gedaagde] niet zou hebben kunnen zien, omdat de fiets geen werkende verlichting had, volgt de rechtbank niet. Niet in geschil is immers dat de fiets in elk geval reflectoren had, dat [eiser] een koplamp aan had staan die daarop heeft kunnen reflecteren en dat er in de Van Woustraat ruimschoots straatverlichting aanwezig is. Met name dit laatste is van belang. De omstandigheid dat de camerabeelden volgens het Bosscha-rapport mogelijk een lichter beeld lieten zien dan de werkelijke situatie, kan zo zijn, maar laat onverlet dat die straatverlichting er was. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de conclusie in het Dekra-rapport dat ‘de fietser, dankzij de straatverlichting, zichtbaar was voor de scooterrijder’, voor onjuist te houden.
keeknaar wat er zich voor hem afspeelde. Zijn blik is, blijkens de beelden, strak vooruit gericht. Er bestaat dan ook geen aanleiding het Bosscha-rapport te volgen in de conclusie dat [eiser] in de hapering die [gedaagde] zou hebben gemaakt wellicht aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat [gedaagde] (nog) niet zou terugkeren naar de fietsstrook. De camerabeelden laten zien dat hij [gedaagde] überhaupt niet heeft opgemerkt. Zoals het Dekra-rapport ook beschrijft, rijdt [gedaagde] , na het kruispunt te zijn overgestoken, in een rechte lijn op de terug bewegende [gedaagde] af, waarbij opvalt dat [eiser] zich helemaal aan de linkerzijde van de fietsstrook begeeft. En daarbij reed hij hard; té hard. De toegestane snelheid ter plaatse was 30 km/u, terwijl beide rapporten uitkomen op een snelheid die daarboven ligt: Bosscha komt uit op 35 km/u (met een marge van 2 km/u) en Dekra op 37,1 km/u. Hiermee is weliswaar in absolute zin geen sprake van een enorme snelheidsovertreding, maar in de gegeven situatie was dat het wel. [eiser] stak met die snelheid immers een kruispunt en vervolgens een zebrapad over om verder te rijden op een weg waarop ook tramverkeer aanwezig is. De Van Woustraat is gemiddeld genomen een drukke straat. Van [eiser] had mogen worden verlangd dat hij zijn snelheid zou aanpassen om de situatie goed te kunnen overzien en daarop te kunnen anticiperen. Hij had, blijkens de beelden en ook blijkens het Dekra-rapport, dat anticiperen (enkele seconden voor de botsing) op verschillende momenten kunnen doen (aanpassen snelheid/inhouden, links - via de rijbaan - passeren) en, dichter op het moment van de botsing, door op de fietsstrook naar rechts uit te wijken. Mede gelet op dat wat de camerabeelden laten zien, onderschrijft de rechtbank de conclusie van het Dekra-rapport dat [eiser] , in het geval hij [gedaagde] zou hebben geregistreerd, nog naar rechts had kunnen uitwijken. Daarmee had hij [gedaagde] echter wel nog altijd rechts ingehaald.