AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel Duitsland
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juli 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Keulen. De verdachte, geboren in 2006 en met Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen.
Tijdens de zitting van 17 juni 2025 verscheen de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat. De rechtbank verlengde de beslistermijn met dertig dagen en beval gevangenhouding tot sluiting van het onderzoek. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat het strafbare feit zowel in Duitsland als Nederland strafbaar is, met een minimale strafdreiging van twaalf maanden.
De verdachte beriep zich op de garantie uit artikel 6 OLWPro vanwege zijn Nederlandse nationaliteit en banden met Nederland. De Duitse autoriteiten gaven een schriftelijke garantie dat, indien veroordeeld, de straf in Nederland kan worden uitgezeten. De rechtbank achtte deze garantie voldoende en concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. Daarom werd de overlevering toegestaan met de voorwaarde van terugkeer voor strafuitvoering in Nederland.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe met terugkeergarantie voor strafuitvoering in Nederland.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-089098-25
Datum uitspraak: 1 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2025 door het Amtsgericht Keulen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.C. Reehuis, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Keulenvan 25 februari 2025 (zaaknummer 502 Gs 385/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De leidinggevende hoofdofficier van justitie (Der Leitende Oberstaatsanwalt) in Keulen heeft op 27 februari 2025 de volgende garantie gegeven:
“Volgens mijn informatie bevindt de bovengenoemde opgeëiste persoon zich sinds december 2024 in Nederland in voorlopige hechtenis. Ik weet op dit moment helaas niet welke instantie deze zaak in behandeling heeft en in welke PI deze persoon verblijft. Ik ben echter zo vrij om u hierbij, vanwege de urgentie elektronisch per e- mail, het Europese aanhoudingsbevel van het Amtsgericht1 Keulen – 502 Gs 385/25 Amtsgericht Keulen - 242 RHs 17 /25 OM Keulen - van 26-02- t 2025 met Nederlandse vertaling te sturen met het verzoek de gevonniste persoon ten behoeve van strafvervolging naar Duitsland over te brengen.
Ik verzeker u (…)dat de opgeëiste persoon als hij in de Bondsrepubliek Duitsland met kracht van gewijsde wordt veroordeeld, op basis van de geldende versie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 05-12-2008, pagina 27) ten behoeve van de verdere tenuitvoerlegging van straf naar Nederland zal worden teruggezonden.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsartikelen
Artikelen 157 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [de opgeëiste persoon]aan het Amtsgericht Keulen, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.