ECLI:NL:RBAMS:2025:4619

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
C/13/756027 / HA RK 24-286
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot inzage stukken en voorlopig getuigenverhoor afgewezen in zaak Investors Recovery tegen ABN AMRO Bank

In deze beschikking van de Rechtbank Amsterdam, gedateerd 26 juni 2025, wordt het verzoek van ABN AMRO Investors Recovery Limited afgewezen. Investors Recovery, vertegenwoordigd door advocaat mr. Q.L.C.M. Bongaerts, had verzocht om inzage in documenten en een voorlopig getuigenverhoor in verband met vermeende onzuivere koersvorming door ABN AMRO Bank N.V., vertegenwoordigd door advocaat mr. T.M. Sweerts. De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtsbetrekking bestaat die rechtvaardigt dat de bank de gevraagde documenten moet overleggen. De rechtbank stelt vast dat Investors Recovery onvoldoende heeft onderbouwd dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld en dat er geen concrete feiten zijn gepresenteerd die de verzoeken ondersteunen. De rechtbank wijst ook op het gebrek aan ontvankelijkheid van Investors Recovery, aangezien zij geen certificaten in de bank hield en niet heeft aangetoond dat vorderingen van certificaathouders aan haar zijn overgedragen. De rechtbank concludeert dat het verzoek om getuigen te horen ook niet voldoet aan de wettelijke eisen, omdat de verzoeker niet duidelijk heeft gemaakt welke feiten zij wil bewijzen en waarom de getuigen daarover uit eigen waarneming kunnen verklaren. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt Investors Recovery in de proceskosten van de bank, die zijn vastgesteld op € 2.094.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/756027 / HA RK 24-286
Beschikking van 26 juni 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ABN AMRO INVESTORS RECOVERY LIMITED,
te Guernsey,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Investors Recovery,
advocaat: mr. Q.L.C.M. Bongaerts,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. T.M. Sweerts.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
˗ het verzoekschrift van 29 augustus 2024 met bijlagen 1-28,
˗ het verweerschrift van 1 mei 2025 met bijlagen 1-82,
˗ de akte van Investors Recovery van 12 mei 2025 met bijlagen 29-39,
˗ de brief van Investors Recovery van 14 mei 2025 met een vermindering van het verzoek,
˗ het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2025 en de spreekaantekeningen van beide partijen,
˗ de brief van Investors Recovery van 18 juni 2025 met een reactie op het proces-verbaal.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De bank is een bank met een Nederlandse bankvergunning. Sinds 20 november 2015 worden certificaten van aandelen in de bank verhandeld op de Amsterdamse beurs van Euronext.
2.2.
Op 4 september 2018 werden de resultaten openbaar van onderzoek dat het Openbaar Ministerie onder de naam ‘Houston’ had uitgevoerd bij ING Bank. Het Openbaar Ministerie concludeerde dat ING Bank de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet had nageleefd en zich schuldig had gemaakt aan schuldwitwassen. Tevens werd bekend dat ING Bank een schikking was aangegaan en € 775 miljoen aan de staat had betaald, bestaande uit een boete van € 675 miljoen en een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 100 miljoen.
2.3.
Op 26 september 2019 maakte de bank voor beurs bekend dat het Openbaar Ministerie onder de naam ‘Guardian’ ook bij haar onderzoek deed naar mogelijke overtredingen van de Wwft. Die dag daalde de beurskoers van de bank. Partijen verschillen van mening hoe deze daling in een percentage moet worden uitgedrukt, maar dat was minimaal 12% (volgens de bank) en maximaal 13,2% (volgens Investors Recovery).
2.4.
Op 12 februari 2020 publiceerde de bank haar cijfers over het vierde kwartaal van 2019. De beurskoers daalde daarop met rond vijf tot zeven procent.
2.5.
Op 10 maart 2021 publiceerde de bank haar jaarverslag over 2020, waarin zij voor het eerst meldde dat zij ook werd verdacht van schuldwitwassen, en gelijktijdig werd bekend dat de certificaten van de aandelen in de bank niet meer genoteerd zouden zijn aan de Amsterdamse Euronext beurs maar voortaan aan de Amsterdam Midcap Index. De koers daalde met ongeveer drie procent.
2.6.
Op 15 maart 2021 verscheen een artikel in De Telegraaf over de verdenking van de bank van schuldwitwassen, waarna een koersdaling volgde van ongeveer vijf procent.
2.7.
Op 19 april 2021 publiceerde het Openbaar Ministerie het verslag van zijn onderzoek bij de bank. Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat de bank zich schuldig heeft gemaakt aan overtredingen van de Wwft en aan schuldwitwassen in de periode van 2014 tot en met 2020.
2.8.
Naar aanleiding van het onderzoek is de bank op 19 april 2021 een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie. In het kader daarvan heeft de bank in totaal een bedrag van € 480 miljoen aan de staat betaald, bestaande uit een boete van € 300 miljoen en € 180 miljoen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op de bekendmaking van deze schikking reageerde de beurskoers positief.
2.9.
Investors Recovery is opgericht door Woodsford Group Limited, dat op basis van
no cure, no paybedrijfsmatig juridische procedures initieert en financiert. Investors Recovery werpt zich op als behartiger van de belangen van 117 beleggers die schade hebben geleden als gevolg van informatieverzuim van de bank en hun vorderingen aan Investors Recovery hebben overgedragen.
2.10.
Investors Recovery heeft geprobeerd een gesprek aan te gaan met de bank over betaling van schadevergoeding aan de certificaathouders. Daarvan is het niet gekomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Investors Recovery houdt de bank verantwoordelijk voor onzuivere koersvorming in de periode van 20 november 2015 tot en met 15 maart 2021. Volgens Investors Recovery wist de bank in die periode van tekortkomingen in haar interne procedures gericht op het ontdekken en voorkomen van financieel-economische criminaliteit. De bank had deze moeten melden in het prospectus voor de beursintroductie in november 2015, vervolgens in haar kwartaalverslagen en jaarverslagen en in ad-hocpublicaties in de zin van artikel 17 van de Marktmisbruikverordening (hierna: MAR).
3.2.
Volgens Investors Recovery kon de markt zich geen geïnformeerd oordeel vormen over de risico’s van investeren in de bank. Investeerders hebben hierdoor schade geleden. Zij hebben tegen een geïnflateerde koers gekocht en vervolgens het stuk inflatie zien verdampen. Investors Recovery begroot de totale schade op een bedrag tussen € 150,5 en € 233,6 miljoen.
3.3.
Ten behoeve van een mogelijk aanhangig te maken schadevergoedingsprocedure verzoekt Investors Recovery de rechtbank om de bank op te dragen om stukken over te leggen en om getuigen te horen. Zij wil hiermee kunnen vaststellen:
˗ op welk moment de publicaties van de bank niet langer voldeden aan het getrouwbeeldvereiste en
˗ op welk moment aangenomen kan worden dat de bank bekend was of behoorde te zijn met informatie over tekortkomingen in haar interne procedures of de strafbare feiten die tussentijdse publicatie rechtvaardigden.
Kort gezegd gaat het Investors Recovery erom dat zij wil vaststellen wie wanneer wat wist binnen de bank.
3.4.
Het verslag van het Openbaar Ministerie vormt volgens Investors Recovery de top van de ijsberg. Investors Recovery verzoekt daarom om de bank op grond van artikel 843a (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verplichten de volgende documenten over te leggen, waarnaar wordt verwezen in het verslag van het Openbaar Ministerie, in perspublicaties en in (bijlagen bij) jaarverslagen:
i. de (kwartaal)rapportages van de afdelingen compliance en audit in de periode 2014 tot en met 2020 die zien op compliance tekortkomingen en strafbare feiten aan het bestuur en de raad van commissarissen;
ii. de interne waarschuwingen door de raad van commissarissen aan het bestuur in 2015 en 2016 en de reactie van het bestuur daarop;
iii. de documentatie die de interne signalen van de afdelingen compliance en audit bevatten aan het bestuur en de raad van commissarissen dat (senior) management over onvoldoende managementinformatie over de
‘client life cycle’beschikte;
iv. de brandbrief van de afdeling compliance aan de raad van bestuur van eind 2017, waarin de afdeling compliance het signaal afgeeft dat te veel projecten binnen de bank stilliggen;
v. de correspondentie tussen de chief compliance officer en de chief innovation & technology officer en een executive committee-lid van medio 2018 met betrekking tot (de niet-naleving van) de poortwachtersfunctie van de bank;
vi. de drie brandbrieven die het hoofd processes & control group compliance aan de top van de bank stuurde in 2017 en 2018;
vii. de notulen van de drie aanvullende vergaderingen van het risk & capital committee die in 2018 werden gehouden ten aanzien van antiwitwaswetgeving;
viii. de updates die de afdeling detecting financial crime aan de raad van commissarissen zond
‘on the progress made as the license to operate was an important subject during the year under review’;
ix. de notitie van de president-commissaris aan de bestuursvoorzitter uit medio of eind 2017 waarin de noodzakelijke verbeteringen voor de bank worden omschreven;
x. de twee anonieme brieven van januari 2018 die betrekking hebben op het management van de bank.
3.5.
Investors Recovery verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen van:
˗ [naam 1] , van 2009 tot en met 2017 bestuursvoorzitter;
˗ [naam 2] , van 2013 tot en met 2016 financieel directeur en van 2017 tot en met 2020 bestuursvoorzitter;
˗ [naam 3] , van 2017 tot en met 2021 financieel directeur;
˗ [naam 4] , van 2014 tot en met 2018 lid van de raad van commissarissen en vanaf 2016 president-commissaris;
˗ [naam 5] , voorzitter van het audit committee voor het boekjaar 2015;
˗ [naam 6] , voorzitter van het audit committee voor de boekjaren 2016 tot en met 2021;
˗ [naam 7] , voormalig chief compliance officer;
˗ [naam 8] , voormalig hoofd processes & control group compliance;
˗ wanneer daarvoor aanleiding bestaat, andere betrokkenen van wie de persoonsgegevens bekend worden door kennisneming van de opgevraagde bescheiden of het verhoor van de voormelde personen.
3.6.
Bij de mondelinge behandeling heeft Investors Recovery toegelicht waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren:
˗ [naam 1] , [naam 7] , [naam 5] en [naam 4] over de rol van de raad van commissarissen en de interactie met het bestuur;
˗ [naam 1] en [naam 2] over de problemen bij de beoordeling van de klantendossiers bij retail & private banking in 2015 en 2016 en de informatievoorziening aan de raad van commissarissen;
˗ [naam 4] over de rol van en informatievoorziening aan de raad van commissarissen;
˗ [naam 6] over de informatievoorziening aan het audit committee;
˗ [naam 7] en [naam 8] over de inhoud van de onder iii. tot en met vi. genoemde stukken en de opvolging die het bestuur daaraan gaf;
˗ [naam 1] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 4] over het feit dat het bestuur begin 2016 toegaf dat de situatie onhoudbaar was;
˗ [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] over het besluit om de zorgen bedoeld in de onder viii. genoemde stukken niet openbaar te maken;
˗ [naam 3] , [naam 2] en [naam 6] over de besluitvorming over de openbaarmaking van de verdenking van schuldwitwassen;
˗ [naam 6] over het feit dat de situatie dermate nijpend was dat de bankvergunning op het spel stond.
3.7.
De bank voert ten eerste aan dat Investors Recovery niet ontvankelijk is omdat zij geen (processueel) belang heeft bij haar verzoeken. Zij hield geen certificaten in de bank en zij heeft niet aangetoond dat vorderingen van certificaathouders aan haar zijn overgedragen.
3.8.
Aan de eisen van artikel 843a (oud) Rv is volgens de bank niet voldaan, omdat Investors Recovery geen begin van een onderbouwing heeft gegeven dat de bank onrechtmatig zou hebben gehandeld. Van de vereiste rechtsbetrekking is dus geen sprake. Investors Recovery licht ook nergens toe op welke wijze documenten of getuigenverklaringen zouden kunnen bijdragen aan de onderbouwing van haar vorderingen. Investors Recovery heeft ook onvoldoende onderbouwd dat certificaathouders schade hebben geleden. Zij heeft onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld dat en waarom zij belang heeft bij de verlangde inzage en dat dit belang de inzage kan rechtvaardigen. Investors Recovery kent het bestaan van de stukken niet en speculeert enkel op de denkbare inhoud daarvan. Zij probeert met een zo breed mogelijke omschrijving van documenten zoveel mogelijk informatie op te halen bij de bank, er is sprake van een
fishing expedition. Tot slot staan gewichtige redenen in de weg aan verstrekking van de bescheiden, waaronder doorkruising van de wettelijke informatierechten van certificaathouders en wettelijke geheimhoudingsplichten.
3.9.
Het verzoek om getuigen te horen moet volgens de bank worden afgewezen omdat het verzoek niet aan de wettelijke eisen voldoet. Investors Recovery specificeert niet welke concrete feiten zij wil bewijzen en waarom de genoemde getuigen daarover uit eigen waarneming zouden kunnen verklaren. Dat blijkt al uit het verzoek om eerst stukken te krijgen en dan pas getuigen daarover te bevragen. Investors Recovery beschikt verder op basis van publiek toegankelijke informatie over de relevante feiten en kan haar procespositie dus al beoordelen. Bovendien beschikken de getuigen niet over relevante informatie, maakt Investors Recovery misbruik van bevoegdheid, zijn getuigenverhoren in strijd met de eisen van een goede procesorde en verzet een zwaarwegend belang zich daartegen.
3.10.
Subsidiair verzoekt de bank een toewijzende beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te bepalen dat bepaalde gegevens zwart mogen worden gemaakt, te bepalen dat alleen bepaalde personen via een beveiligd online portaal kennis mogen nemen van de stukken, en te bepalen dat Investors Recovery de stukken niet met derden mag delen op straffe van een dwangsom. Verder verzoekt de bank bepaalde termijnen toe te staan en Investors Recovery te veroordelen tot betaling van een voorschot aan de bank van € 200.000 voor de kosten die de bank moet maken als zij de verzochte documenten moet aanleveren.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.
Investors Recovery is niet in Nederland gevestigd, waardoor de rechtbank ambtshalve haar internationale rechtsmacht en het toepasselijk recht zal moeten beoordelen. De rechterlijke bevoegdheid bij voorlopige bewijsverrichtingen wordt volgens vaste rechtspraak ontleend aan de bevoegdheid om kennis te nemen van het bodemgeschil. Nu de bank in Nederland is gevestigd en de voorgenomen bodemvordering een burgerlijke of handelszaak betreft van na 10 januari 2015, is deze rechtbank op basis van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis [1] ten aanzien van beide verzoeken internationaal bevoegd. Uit artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat op de wijze van procederen, waaronder begrepen het al dan niet uitvoeren van voorlopige bewijsverrichtingen, ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is.
4.2.
Op deze zaak is het bewijsrecht van toepassing zoals dat luidde vóór 1 januari 2025, aangezien het verzoekschrift voor die datum is ingediend.
Nadere akte Investors Recovery
4.3.
Investors Recovery heeft verzocht of zij zich na de mondelinge behandeling schriftelijk mag uitlaten over het door de bank gevoerde verweer. Zij noemt als reden hiervoor dat het verweerschrift zeer omvangrijk is en zij niet op alle verweren kan reageren tijdens de zitting. De bank heeft hiertegen bezwaar gemaakt en onder meer aangevoerd dat zij het verweerschrift ruim voor de zitting heeft moeten aanleveren en de bank bovendien geen voor Investors Recovery onbekende informatie heeft gebruikt om haar verweren te onderbouwen.
4.4.
De rechtbank volgt de bank hierin. Met de door rechtbank bepaalde ruime termijn tussen het indienen van het verweerschrift en de mondelinge behandeling en de op verzoek van Investors Recovery verlengde spreektijd is voldoende gewaarborgd dat Investors Recovery adequaat op de verweren kon reageren en bestaat geen aanleiding voor een nadere schriftelijke ronde.
Formele eisen
4.5.
Investors Recovery heeft in het verzoekschrift wel vermeld dat mogelijk ook een vorderingsrecht bestaat tegen voormalig bestuurders en commissarissen van de bank, maar hen niet als verweerders of belanghebbenden aangemerkt. Dit was ten onrechte. Als potentiële gedaagden in de door Investors Recovery voorgenomen bodemprocedure zijn zij in ieder geval belanghebbenden.
4.6.
Uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat de verzoeken niet worden toegewezen. Om die reden bestaat geen aanleiding om de voormalig bestuurders en commissarissen alsnog op te roepen om op de verzoeken te worden gehoord.
Geldigheid van de cessie
4.7.
De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij van één belegger eventueel bestaande vorderingsrechten heeft overgenomen.
4.8.
Investors Recovery stelt dat zij de rechten van 117 beleggers heeft verkregen. Als voorbeeld heeft zij een
participation agreementovergelegd tussen haar en de investeerder Fidelity Investments Funds IX (Fidelity) uit Londen. Daarin heeft Fidelity volgens Investors Recovery aanspraken tegen de bank en haar functionarissen overgedragen, die strekken tot vergoeding van verliezen voortvloeiend uit – kort gezegd – de verwerving van certificaten van aandelen in de bank. Een
custodian statementvan JPMorgan Chase Bank vermeldt dat zij ten behoeve van Fidelity geen certificaten van aandelen in de bank hield op 20 november 2015 en dat zij 231.446 van die certificaten hield op 8 oktober 2021.
4.9.
Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat Fidelity certificaten van aandelen in de bank heeft gekocht in de periode voor 8 oktober 2021 en dat zij eventuele daaruit voortvloeiende rechten heeft overgedragen aan Investors Recovery. Weliswaar heeft de bank erop gewezen dat Fidelity volgens de
participation agreement
shares’en niet certificaten hield, maar het in de
participation agreementvermelde identificatienummer komt overeen met het identificatienummer van de certificaten in het overgelegde
custodian statement. Daarmee is voldoende duidelijk dat het gaat om certificaten van aandelen in de bank.
4.10.
Niet van belang is of Investors Recovery van Fidelity een procesvolmacht heeft gekregen. Zij procedeert in eigen naam om een aan haar door Fidelity overgedragen vorderingsrecht geldend te maken. Investors Recovery heeft dus een eigen belang (artikel 3:303 BW) bij haar verzoeken. Voor de overige investeerders heeft Investors Recovery echter niets laten zien waaruit kan worden opgemaakt dat zij op enig moment certificaten van aandelen in de bank hielden en evenmin dat zij hun daarmee verband houdende gestelde vorderingen aan Investors Recovery zouden hebben overgedragen, wat de bank heeft betwist.
4.11.
Investors Recovery heeft bovendien enkel ten aanzien van Fidelity toegelicht waarom, en op welke momenten deze belegger door het handelen van de bank schade zou hebben geleden waardoor deze een vorderingsrecht op de bank zou hebben. Dat heeft zij niet gedaan voor de overige 116 beleggers waarvan zij de vorderingsrechten stelt te hebben overgenomen. Evenmin heeft zij gesteld dat de vorderingen tegen de bank voor iedere belegger gelijk zijn en los staan van individuele feiten en omstandigheden. Dat alles betekent dat de rechtbank de verzoeken alleen zal beoordelen voor zover zij relevant zijn voor de positie van Fidelity als belegger.
Exhibitieverzoek
4.12.
Artikel 843a (oud) Rv is van toepassing.
4.13.
Het Nederlandse recht kent geen algemene exhibitieplicht waarbij partijen verplicht zijn elkaar informatie en documenten te verschaffen, voorafgaand aan een procedure of anderszins. Hoofdregel is dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage of in afschrift hoeft te geven. Daarop vormt artikel 843a (oud) Rv een uitzondering met drie cumulatieve voorwaarden om
fishing expeditionste voorkomen. Deze voorwaarden zijn:
˗ een rechtmatig belang bij afgifte of inzage,
˗ voldoende bepaalbaarheid van de bescheiden,
˗ aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoeker of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.
4.14.
De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery de rechtsbetrekking waarop het verzoek is gebaseerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
4.15.
De gestelde rechtsbetrekking zou bestaan uit een vordering tot schadevergoeding vanwege een onrechtmatige daad. Investors Recovery dient derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan. Zie Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, overweging 3.1.4 (Semtex).
4.16.
Het ligt daarmee op de weg van Investors Recovery om in de eerste plaats voldoende aannemelijk te maken dat de bank (i) over concrete informatie beschikte die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten en op grond van artikel 7 van de MAR openbaar had moeten worden gemaakt, (ii) over informatie beschikte die zij op grond van de toepasselijke verslaggevingsregels in haar financiële verslagen had moeten opnemen, dan wel (iii) misleidende of onvolledige mededelingen heeft gedaan in haar prospectus.
4.17.
Voor de aannemelijkheid hiervan verwijst Investors Recovery vooral naar het verslag van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie concludeert daarin dat de bank structureel de Wwft heeft overtreden en zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen tussen 2015 en 2020. Uit het rapport volgt echter geen schending van voornoemde publicatieverplichtingen. Daarop richtte het onderzoek zich immers niet.
4.18.
Investors Recovery heeft het rapport en enkele publicaties van journalisten naast de periodieke financiële publicaties van de bank gelegd en concludeert daaruit dat er verschillen bestaan tussen enerzijds wat er bij de bank speelde en intern bekend was of behoorde te zijn en anderzijds wat de bank bekend maakte in haar verplichte periodieke publicaties. Zij noemt acht voorbeelden waarin de bank volgens haar misleidende mededelingen heeft gedaan:
˗ de mededelingen in haar jaarrekeningen dat geen complete zekerheid gegeven kon worden over onvolledigheden, fraude en niet-naleving van wet- en regelgeving;
˗ de suggestie in het prospectus dat de bank meteen en adequaat reageerde op aanwijzingen van De Nederlandsche Bank (DNB) en de kwestie onder controle had;
˗ het ontbreken in de eerste twee kwartaalverslagen van 2016 van mededelingen over intern levende zorgen over de controle op witwassen en het gebrek aan beheersing daarvan;
˗ het gebrek aan concrete informatie over compliance in het jaarverslag 2016;
˗ het ontbreken van publieke mededelingen over drie brandbrieven in 2017 en 2018 van
processes & control group complianceover de effecten van de reorganisatie voor lopende compliance projecten;
˗ het ontbreken in het jaarverslag 2018 van mededelingen door DNB over tekortkomingen op het gebied van cliëntenonderzoek en transactiemonitoring en het besluit om werkprocessen centraal te gaan regelen;
˗ het ontbreken van publieke mededelingen over door commissarissen afgelegde verklaringen over waarschuwingen aan het bestuur over complianceproblemen in 2015 en 2016;
˗ het verstoppen van de verdenking van schuldwitwassen in het jaarverslag 2020.
4.19.
Daarmee heeft Investors Recovery echter nog niet duidelijk gemaakt waarom de bank de in 4.16 genoemde publicatieverplichtingen zou hebben geschonden en welke informatie zij op welke momenten had moeten delen. Mede gelet op de omvang van het exhibitieverzoek en de vertrouwelijkheid van de gevraagde documenten, kon zij niet volstaan met voorgaande opsomming en had zij steeds met reeds voorhanden bewijsmiddelen concreet moeten maken dat de bank ten aanzien van deze mededelingen in strijd met de MAR of de toepasselijke verslaggevingsregels handelde dan wel dat dit tot prospectusaansprakelijkheid zou leiden.
4.20.
De bank heeft bovendien gemotiveerd bestreden dat zij haar publicatieplichten heeft geschonden. Zij heeft onweersproken gesteld dat zij voor 25 september 2019 niet wist dat een strafrechtelijk onderzoek zou volgen, dat niet kon weten, en dat dus ook niet kon publiceren. Over de aankondiging, het verloop en de afronding van het onderzoek heeft zij vervolgens transparant en tijdig gecommuniceerd, zowel in ad hoc-persberichten als in haar periodieke financiële verslaggeving, aldus de bank.
4.21.
De bank voert verder aan dat het prospectus reeds vermeldde dat handhaving zou kunnen plaatsvinden door toezichthouders of door strafrechtelijke autoriteiten en dat dit zou kunnen leiden tot significante financiële verliezen en boetes. Dit soort waarschuwingen heeft de bank in de financiële verslagen in de jaren erna herhaald, bijvoorbeeld met de tekst:
‘In general, across the bank we will take all remedial actions necessary to ensure full compliance with legislation. Sanctions, such as an instruction, fines, may be imposed by the authorities.’Zij heeft ook concreet ervoor gewaarschuwd dat zij mogelijk niet voldeed aan haar Wwft-verplichtingen: ‘
we face challenges regarding our ability to fully comply with all regulatory requirements (…) specific areas where the risk of non-compliance with regulations requires a substantial effort from the bank are: Custumer Due Dilligence/KnowYourClient, Anti-Money Laundering and Counter-Terrorism Financing’, aldus de bank.
4.22.
Investors Recovery noemt dit in haar reactie nietszeggende standaardteksten, zoals deze ook in prospectussen en jaarverslagen van andere banken voorkomen, of ontoereikende mededelingen. Zij heeft echter niet met voorhanden bewijsmiddelen onderbouwd waarom deze teksten op deze momenten niet toereikend waren en wat de bank meer of anders had moeten vermelden. Dat de bank bijvoorbeeld al eerder wist dat er een strafrechtelijk onderzoek liep of zou komen en wat de strekking en de uitkomst daarvan zou zijn, heeft Investors Recovery niet gesteld.
4.23.
Investors Recovery vindt doorslaggevend dat de informatie over schuldwitwassen in ieder geval concreet was en specifiek genoeg om een conclusie te kunnen trekken over de mogelijke invloed op de koers. In het jaarverslag 2020 staat wel een specifieke tekst over de verdenking van schuldwitwassen, maar volgens haar in te geruststellende bewoordingen en weggestopt op bladzijde 282. De bank heeft bestreden dat dit koersgevoelige informatie betreft die zij eerder had moeten publiceren.
4.24.
De rechtbank laat in het midden of dit koersgevoelige informatie was die de bank op grond van de MAR had moeten publiceren, omdat Investors Recovery verder niet heeft toegelicht hoe de gevraagde documenten kunnen bijdragen aan de onderbouwing van haar standpunt dat de bank deze aanvullende verdenking als koersgevoelige informatie had moeten delen – wat een juridische en geen feitelijke vraag is. De bank heeft daarnaast inzichtelijk gemaakt dat niet de informatie over de aanvullende verdenking van schuldwitwassen als zodanig maar de reeds gecommuniceerde informatie over het strafrechtelijk onderzoek invloed had op de koers (zie nummer 4.28 hierna).
4.25.
Verder heeft Investors Recovery nog aangevoerd dat de enorme achterstanden bij
corporate bankingde bankvergunning op het spel zetten en daarom aan de markt gecommuniceerd hadden moeten worden. Dat zou ook los van het strafrechtelijk onderzoek van belang kunnen zijn geweest voor een zuivere koersvorming. Investors Recovery heeft echter behalve een verwijzing naar een krantenartikel niet concreet gemaakt dat de bankvergunning ooit in gevaar is geweest en de bank hier op grond van de MAR of de toepasselijke verslaggevingsregels op een bepaald moment melding van had moeten doen.
4.26.
Investors Recovery heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de bank haar publicatieverplichtingen heeft geschonden. Zou zij hier echter wel in zijn geslaagd, was het vervolgens aan haar om voldoende aannemelijk te maken dat daardoor de koersvorming onzuiver is geworden en Fidelity hierdoor schade heeft geleden. Ook dat is niet gelukt. Nog los van het feit dat niets is gesteld over de gevolgen voor het vermogen van Fidelity, heeft Investors Recovery in het licht van het verweer van de bank onvoldoende toegelicht dat de koers is gedaald naar aanleiding van informatie die de bank volgens haar eerder had moeten communiceren, zodat sprake zou zijn van een onzuivere koersvorming. Ter toelichting geldt het volgende.
4.27.
Als het gaat om de koersdaling van 26 september 2019 heeft de bank voldoende gemotiveerd dat deze daling niet rechtstreeks het gevolg was van mededelingen over de gebrekkige witwascontrole binnen de bank – die zij volgens Investors Recovery eerder had moeten doen – maar van het feit dat daarnaar een strafrechtelijk onderzoek liep.
4.28.
Voor de koersdaling na de bekendmaking van de cijfers van het vierde kwartaal van 2019, waarbij de bank heeft gewaarschuwd dat zij mogelijk niet voldeed aan Wwft-verplichtingen, heeft de bank andere plausibele oorzaken aangewezen, die Investors Recovery op haar beurt onvoldoende heeft bestreden. Hetzelfde geldt voor de koersdaling na publicatie van het jaarverslag 2020, waarin de bank voor het eerst de verdenking van schuldwitwassen heeft genoemd. Ook daaruit valt dus niet zonder meer af te leiden dat het niet eerder publiceren van deze informatie – voor zover de bank daartoe verplicht was – tot onzuivere koersvorming heeft geleid.
4.29.
Investors Recovery wijst ook op de latere koersdaling van 15 maart 2021, als het gaat om de aanvullende verdenking van schuldwitwassen. Hoewel op dat moment de informatie over de verdenking van schuldwitwassen al was gedeeld door de bank, werd dit volgens Investors Recovery pas goed bekend onder beleggers in het rond die datum gepubliceerde Telegraaf-artikel over dit onderwerp. De bank heeft dit bestreden onder verwijzing naar haar eerdere publicatie over de verdenking en met de stelling dat beleggers hier bovendien al geruime tijd van uitgingen vanwege de gelijkenissen met het ING-onderzoek waarbij eveneens sprake was van de verdenking van schuldwitwassen. Zij wijt de koersdaling dan ook vooral aan de bredere tendentieuze toon van het krantenartikel, dat niet specifiek over de aanvullende verdenking van schuldwitwassen gaat. Investors Recovery heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.
4.30.
Uit het voorgaande volgt dat Investors Recovery niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, als cessionaris van Fidelity, de bank zou kunnen aanspreken uit hoofde van onrechtmatige daad. Het verzoek lijkt veeleer te zijn ingegeven door een vermoeden dat de bank eerder op de hoogte was van het (toenemende) risico op handhaving van compliance regelgeving door de toezichthouder althans strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie, maar dat vermoeden wordt niet onderbouwd. Integendeel. Nu het doel van de verzochte inzage is te weten te komen wie wat wanneer wist, moet reeds daaruit worden afgeleid dat zij dat vermoeden niet kan onderbouwen en op zoek wil in de gevraagde bescheiden naar informatie die ze daarvoor kan gebruiken. Dit kwalificeert als een
fishing expeditionen daarvoor is artikel 843a (oud) Rv niet bedoeld.
Voorlopig getuigenverhoor
4.31.
Artikelen 186 (oud) e.v. Rv zijn van toepassing.
4.32.
Uitgangspunt is dat in gevallen waarin getuigenbewijs is toegelaten een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen als een belanghebbende daarom verzoekt. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. Zie Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112.
4.33.
Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan het verzoek worden afgewezen als sprake is van één van de volgende vier gronden:
˗ de verzoeker heeft onvoldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW,
˗ de verzoeker maakt misbruik van dit middel in de zin van artikel 3:13 BW,
˗ het verzoek is in strijd met de eisen van een goede procesorde, of
˗ tegen toewijzing van het verzoek bestaat een ander zwaarwegend bezwaar.
4.34.
De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke feiten zij wil bewijzen en wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Investors Recovery heeft in het verzoekschrift toegelicht dat zij met het voorlopige getuigenverhoor wil preciseren ‘wie wanneer wat wist’. Het getuigenbewijs dient om te achterhalen welke signalen omtrent de witwascontrole werden afgegeven aan het bestuur, hoe concreet deze informatie was, hoe het bestuur daarop reageerde en hoe de bank omging met deze informatie met het oog op haar periodieke en incidentele publicaties. Uitgebreider dan dat is de toelichting in het verzoekschrift niet. Investors Recovery heeft ook niet toegelicht waarom de verzochte getuigen hier uit eigen waarneming over kunnen verklaren.
4.35.
Daarmee voldoet het verzoekschrift niet aan de hiervoor in 4.32 opgesomde vereisten. Investors Recovery heeft gevraagd om het verhoor pas te plannen nadat de bank de in het exhibitieverzoek verzochte bescheiden heeft verstrekt, omdat op basis daarvan het getuigenverhoor kan worden beperkt tot onderwerpen die op basis van de geleverde stukken een nadere toelichting behoeven. Hiermee heeft Investors Recovery echter niet concreet vermeld op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking moet hebben, waardoor het onderwerp van het getuigenverhoor onvoldoende is omlijnd.
4.36.
Pas bij de mondelinge behandeling heeft Investors Recovery hieraan invulling gegeven. Zij zou de getuigen willen ondervragen over de rol van de raad van commissarissen, de interactie met het bestuur, de problemen bij de beoordeling van de klantendossiers, de informatievoorziening aan de raad van commissarissen en het audit committee, de inhoud van bepaalde stukken en de opvolging die het bestuur daaraan gaf, de onhoudbaarheid van de situatie, de besluitvorming over openbaarmaking en het risico voor de bankvergunning. Zij heeft voor enkele getuigen ook toegelicht dat zij hierover kunnen verklaren.
4.37.
De rechtbank oordeelt dat Investors Recovery deze omschrijving dadelijk in het verzoekschrift had moeten geven. Daarmee was voor de bank duidelijk geweest wat de omvang van het verzoek is en waartegen zij zich moet verweren. Door de omschrijving pas tijdens de mondelinge behandeling te geven heeft zij de bank de mogelijkheid ontnomen zich op daarop voor te bereiden, wat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank volgt de bank dan ook in haar bezwaar tegen deze gang van zaken en laat de door Investors Recovery gegeven aanvulling op het verzoekschrift buiten beschouwing.
4.38.
Overigens is rechtbank van oordeel dat het verzoek ook met de naderhand gegeven aanvulling onvoldoende omlijnd zou zijn. In feite wil Investors Recovery een groot deel van het management van de bank ondervragen over de algehele gang van zaken in een periode van vijf jaar. Het feitelijk gebeuren waarover de getuigen moeten worden gehoord is ook met de gegeven toelichting zo algemeen aangeduid dat ze passen bij een zoektocht naar mogelijke argumenten en niet zijn gericht op een vaststelling van concrete voor een beslissing op haar vorderingen in de hoofdzaak relevante feiten. Het op de mondelinge behandeling breed geformuleerde doel van het voorlopige getuigenverhoor bevestigt het karakter van het verzoek als een
fishing expedition.
Conclusie
4.39.
De slotsom luidt dat de verzoeken van Investors Recovery worden afgewezen. Bespreking van de overige door de bank aangevoerde verweren is bij deze stand van zaken overbodig.
4.40.
Investors Recovery zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op:
- griffierecht
688
- salaris advocaat
1.228
(2 punten × € 614)
- nakosten
178
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
2.094
4.41.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt Investors Recovery in de proceskosten van de bank van € 2.094, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als Investors Recovery niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Investors Recovery tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, mr. F.L. Bolkestein en mr. R.P.F. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)