ECLI:NL:RBAMS:2025:4665

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
11573152 EA VERZ 25-225
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:673 lid 9 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens geen leeftijdsdiscriminatie en geen verband met klokkenluidersmelding

Verzoeker was sinds 2001 in dienst bij DAS en werkte na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Na vijf tijdelijke contracten, waarvan het laatste liep tot eind 2024, kreeg verzoeker te horen dat zijn contract niet zou worden verlengd. Kort daarna deed hij twee meldingen op grond van de klokkenluidersregeling.

Verzoeker stelde dat zijn arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd maar met wederzijds goedvinden, waardoor hij recht zou hebben op een transitievergoeding en billijke vergoeding wegens leeftijdsdiscriminatie en het niet verlengen van zijn contract vanwege de klokkenluidersmelding.

De rechtbank oordeelde dat de arbeidsovereenkomst door het bereiken van de pensioenleeftijd van rechtswege was geëindigd en dat de tijdelijke contracten na die datum rechtsgeldig waren. Er was geen sprake van leeftijdsdiscriminatie of een oorzakelijk verband met de klokkenluidersmelding, aangezien het besluit tot niet-verlenging al was genomen vóór de meldingen. De gevorderde vergoedingen werden afgewezen.

De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd mondeling gedaan door de kantonrechter op 16 juni 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst na pensioenleeftijd zonder leeftijdsdiscriminatie of verband met klokkenluidersmelding.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11573152 \ EA VERZ 25-225
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 16 juni 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.K.A. Kop,
tegen
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
wonende te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: DAS,
gemachtigde: mr. D.R. Oostwouder.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en mr. M.F. van Grootheest als griffier.
Aanwezig zijn:
- [verzoeker] met mr. Kop;
- aan de zijde van DAS: mr. [naam] , Manager Corporate Legal Affairs, en mr. R. Rozendal, advocaat, met mr. Oostwouder.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft na een korte schorsing de behandeling van de zaak gesloten en op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1954, is op 1 april 2001 in dienst getreden bij DAS als jurist. Door DAS is aan [verzoeker] bericht dat vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op 23 april 2021 zijn arbeidsovereenkomst met DAS van rechtswege zal eindigen. Voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [verzoeker] na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van zes maanden zijn werkzaamheden zou voortzetten in de functie van Specialist Kwaliteit. Partijen zijn in totaal vijf keer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, voor het laatst van 26 april 2024 tot en met 31 december 2024. Eind oktober heeft DAS mondeling aan [verzoeker] te kennen gegeven dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd. Bij brief van 7 november 2024 is dit aan [verzoeker] bevestigd. Op 19 november 2024 heeft [verzoeker] twee meldingen gedaan bij DAS op basis van de klokkenluidersregeling van DAS. Eind december 2024 heeft [verzoeker] van DAS een cadeaubon en geld voor een afscheidsetentje gekregen vanwege het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst met DAS. Begin januari 2025 heeft [verzoeker] gesolliciteerd op de functie van Specialist Kwaliteit. Op 10 januari 2025 heeft DAS aan [verzoeker] meegedeeld dat de vacature inmiddels door een andere kandidaat is ingevuld. Bij brief van 27 januari 2025 heeft DAS uitgebreid gereageerd op de klokkenluidersmeldingen van [verzoeker] .
1.2.
[verzoeker] verzoekt DAS te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en/of schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW Pro juncto 6:162 BW) van in totaal € 100.000,00 bruto. [verzoeker] legt hieraan het volgende ten grondslag. Voordat de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eindigde, zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsrelatie met zes maanden zou worden voortgezet. Als gevolg hiervan is de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege geëindigd, maar met wederzijds goedvinden. Dit betekent dat op grond van de Ragetlieregel [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, althans dat zijn arbeidsovereenkomst alleen met zijn instemming kon worden opgezegd dan wel had DAS ontbinding daarvan moeten vragen bij de kantonrechter. DAS heeft de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet verlengd, althans zijn sollicitatie in januari 2025 afgewezen, vanwege de klokkenluidersmelding dan wel vanwege zijn leeftijd, zodat sprake is van leeftijdsdiscriminatie, aldus steeds [verzoeker] .
1.3.
Geoordeeld wordt als volgt.
1.4.
Ook omdat daarover een bepaling staat in de van toepassing zijnde cao is met het bereiken van de pensioenleeftijd door [verzoeker] de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege geëindigd. Dat de afspraken over de overeenkomst voor bepaalde tijd gemaakt zijn voordat [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd bereikte doet daar niet aan af. Vast staat dat de eerste arbeidsovereenkomst (van de reeks van vijf) aanvangt na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en (daardoor) het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
1.5.
De verzochte transitievergoeding zal worden afgewezen, omdat op grond van de wet geen transitievergoeding verschuldigd is na het bereiken van de pensioenleeftijd.
1.6.
De verzochte billijke vergoeding, die gegrond is op de klokkenluidersmelding en leeftijdsdiscriminatie, zal eveneens worden afgewezen. Eind oktober 2024 heeft DAS aan [verzoeker] meegedeeld dat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, wat kort daarna schriftelijk aan hem is bevestigd. Pas daarna heeft [verzoeker] twee zaken gemeld aan DAS, waarvan hij vindt dat het een klokkenluidersmelding is. Of het daadwerkelijk een klokkenluidersmelding is, wordt in het midden gelaten.
Dat [verzoeker] niet is aangenomen voor zijn oude functie is volgens DAS omdat zijn functie al vervuld was en hij reageerde op een niet langer opengestelde vacature. Voor DAS bestond bovendien het risico dat als zij de arbeidsovereenkomst opnieuw zou verlengen dan wel hem opnieuw zouden aannemen hij in ieder geval na vier maanden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben. De wetgever heeft het valide gevonden dat na de pensioengerechtigde leeftijd tot zes keer toe in een periode van vier jaar tijdelijke arbeidsovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Aangenomen mag dan ook worden dat hier geen sprake is van verboden leeftijdsdiscriminatie. DAS heeft in oktober en november 2024 uitgesproken dat zij de tijdelijke arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet wilde voortzetten. Dat was voor de klokkenluidersmelding. Er kan dan ook geen oorzakelijk verband worden aangenomen tussen de wens van DAS de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet meer voort te zetten en deze melding. Er is dan ook geen reden voor een bewijsvermoeden (of omkering van de bewijslast), te meer daar, zoals hiervoor al is opgemerkt, DAS reeds voor de sollicitatie van [verzoeker] in januari 2025 twee interne werknemers had aangenomen voor de functie van Specialist Kwaliteit.
1.7.
Bovenstaande betekent dat de verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen.
1.8.
De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

2.1.
wijst de verzoeken af,
2.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.