ECLI:NL:RBAMS:2025:4669

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
11478703
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van openstaande facturen en tegenvordering wegens beëindiging van de overeenkomst van opdracht

In deze zaak vordert eiser, een zelfstandig kok, betaling van openstaande facturen van zijn voormalige opdrachtgever, Porterhouse 3 B.V. Eiser heeft van februari tot mei 2024 voor Porterhouse gewerkt, maar heeft zijn werkzaamheden per direct beëindigd. Porterhouse stelt een tegenvordering in voor schadevergoeding, omdat eiser zonder goede reden de overeenkomst heeft beëindigd. De kantonrechter heeft de vordering van eiser grotendeels toegewezen, maar ook de tegenvordering van Porterhouse gedeeltelijk erkend. Na verrekening moet Porterhouse nog een bedrag van € 4.977,68 aan eiser betalen, inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter oordeelt dat eiser niet gerechtigd was om de overeenkomst per direct op te zeggen, omdat er geen gewichtige reden was voor deze opzegging. De schade van Porterhouse door het plotselinge vertrek van eiser is begroot op € 6.000,00, maar de kantonrechter heeft de onderbouwing van deze schade als onvoldoende beoordeeld. De proceskosten zijn toegewezen aan de partijen op basis van hun gelijk en ongelijk in de zaak.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11478703 \ CV EXPL 25-244
Vonnis van 13 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Leung,
tegen
PORTERHOUSE 3 B.V.,
gevestigd in Weesp,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Porterhouse,
gemachtigde: mr. P.J. Soest.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
[eiser] heeft als zelfstandig kok gewerkt bij Porterhouse en vordert betaling van zijn openstaande facturen. Porterhouse stelt een tegenvordering in voor vergoeding van schade omdat [eiser] zonder goede reden de relatie tussen partijen heeft beëindigd. Porterhouse wil de vordering van [eiser] verrekenen met haar tegenvordering. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] grotendeels toe en die van Porterhouse tot € 6.000,00. Na verrekening moet Porterhouse nog € 4.977,68 met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incasso kosten aan [eiser] betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 november 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord met een eis in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 20 februari 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Daarna is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

In conventie en reconventie:
3.1.
Omdat de vordering (conventie) van [eiser] en de tegenvordering (reconventie) van Porterhouse met elkaar samenhangen worden ze gezamenlijk behandeld.
Wat is er gebeurd?
3.2.
[eiser] en Porterhouse hebben een overeenkomst van opdracht gesloten die loopt van 1 februari 2024 tot 1 september 2024. Daarin is bepaald dat [eiser] als chef-kok/keukenmanager werkt voor 38 uur per week tegen een wekelijkse vergoeding van
€ 1.500,00. [eiser] heeft vanaf februari 2024 voor Porterhouse gewerkt en daarvoor facturen gestuurd. Op 7 mei 2024 heeft [eiser] zijn werkzaamheden voor Porterhouse per direct beëindigd en zijn werkkleding ingeleverd.
Wat vinden partijen?
3.3.
[eiser] wil dat Porterhouse zijn nog openstaande facturen van € 10.977,68 betaalt. Porterhouse vindt dat [eiser] niet ineens kon stoppen met zijn werkzaamheden. Door het plotselinge vertrek van [eiser] heeft Porterhouse schade geleden. Porterhouse wil deze € 13.460,00 verrekenen.
3.4.
[eiser] vindt dat hij per direct mocht opzeggen. Hij werkte altijd meer dan
38 uur per week en zonder gekwalificeerd keukenpersoneel. Er was een onwerkbare situatie ontstaan. Het lukte hem niet om hierover in gesprek te gaan omdat bij Porterhouse de tijd ontbrak. Ook vindt [eiser] dat Porterhouse niet kan verrekenen omdat zij haar schade niet heeft onderbouwd.
3.5.
Porterhouse is van mening dat soms overwerken bij de functie van chef-kok hoort en dat het [eiser] ontbrak aan capaciteiten om zijn werk al chef-kok binnen 38 uur af te krijgen.
Wat oordeelt de kantonrechter?
[eiser] had niet mogen opzeggen en is tekortgeschoten
3.6.
De centrale vraag is of [eiser] op 7 mei 2024 per direct de overeenkomst mocht opzeggen. [eiser] en Porterhouse zijn het erover eens dat zij een overeenkomst van opdracht volgens artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gesloten voor bepaalde tijd. Artikel 7:408 lid 2 BW bepaalt dat een professionele opdrachtnemer (in dit geval [eiser] ) een overeenkomst van opdracht alleen tussentijds kan opzeggen bij een gewichtige reden.
3.7.
Hoewel het voor de hand ligt dat [eiser] door de situatie in de keuken, waaronder personeelsgebrek, regelmatig meer dan 38 uur per week werkte, oordeelt de kantonrechter dat dit [eiser] geen gewichtige reden gaf om op 7 mei 2024 zijn werkzaamheden onmiddellijk neer te leggen. Het is goed voorstelbaar dat de situatie in de keuken stress en problemen meebracht, maar daar staat tegenover dat [eiser] als chef-kok de eindverantwoordelijke was en dat een beloning van ruim € 6.000,00 daar ook bij past. Dit betekent dat [eiser] op 7 mei 2024 geen gewichtige reden had voor opzegging. Daarom is hij volgens artikel 6:74 BW tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en moet hij de als gevolg hiervan door Porterhouse geleden schade betalen.
Schade van Porterhouse begroot op € 6.000,00
3.8.
Porterhouse vordert € 13.460,00 aan schade door gemiste omzet, inzet van extra personeel, overplaatsingskosten en inwerkkosten. De onderbouwing van deze schade is minimaal. De bedragen in een overzicht van Porterhouse tellen niet op tot het gevorderde bedrag en Porterhouse zelf heeft tijdens de zitting gezegd dat de berekening van gemiste omzet onvermijdelijk ‘nattevingerwerk’ is. De kantonrechter kan daarom niet precies begroten welke schade Porterhouse heeft geleden door gemiste omzet. Ook had voor onderbouwing van de extra personeelskosten meer van Porterhouse mogen worden verwacht, bijvoorbeeld met documentatie uit de boekhouding van Porterhouse of van Harbor Horeca, waarvan Porterhouse onderdeel is.
3.9.
Aan de andere kant is duidelijk dat Porterhouse door het plotselinge vertrek van [eiser] omzetschade heeft geleden. Het is logisch dat Porterhouse zonder chef-kok geen tafelreserveringen kon aannemen en reeds gemaakte reserveringen moest afzeggen. Nu een begroting van deze schade niet mogelijk is, schat de kantonrechter deze op € 3.000,00. Extra personeelskosten hoeven dan echter niet te worden gemaakt.
3.10.
De kantonrechter is van oordeel dat ook begrijpelijk is dat door het tussentijdse vertrek van [eiser] kosten zijn gemaakt voor het plaatsen en inwerken van een nieuwe chef-kok. Die was op dat moment namelijk niet beschikbaar, ook niet bij de andere Porterhouse-vestigingen. Deze chef-kok ontving, net als [eiser] , tijdens zijn inwerkperiode een vergoeding. Daarmee wordt de door Porterhouse geleden schade begroot op € 3.000,00, namelijk een vergoeding van € 1.500,00 per week keer een plaatsing- en inwerkperiode van twee weken.
Porterhouse moet na verrekening nog € 4.977,68 (hoofdsom) aan [eiser] betalen
3.11.
De tegenvordering van Porterhouse wordt dus toegewezen tot € 6.000,00. Porterhouse mag haar vordering op grond van artikel 6:136 BW verrekenen. Omdat Porterhouse na verrekening nog een bedrag aan [eiser] moet betalen, is de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar. Porterhouse heeft tijdens de zitting gezegd dat zij het eens is met de facturen van [eiser] . Dat betekent dat de hoofdsom van de conventionele vordering van € 10.977,68 van [eiser] toewijsbaar is. Na verrekening met de tegenvordering van € 6.000,00 van Porterhouse, resteert een door Porterhouse aan [eiser] te betalen bedrag van € 4.977,68 in hoofdsom.
Incassokosten van [eiser] toewijsbaar tot € 622,77, wettelijke handelsrente vanaf 7 mei
3.12.
[eiser] vordert 15% aan buitengerechtelijke incassokosten en als dat niet wordt toegewezen € 945,00 met btw. Gebleken is dat door [eiser] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten daarvan. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. Nu de hoofdsom is toegewezen voor € 4.977,68 is, wijst de rechtbank de buitengerechtelijke incassokosten toe voor een bedrag van € 622,77 inclusief btw, volgens het in het Besluit bepaalde tarief. De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf 7 mei 2024. Dat is het moment waarop Porterhouse mocht verrekenen.
Porterhouse moet de proceskosten in conventie betalen, [eiser] die in reconventie
3.13.
Porterhouse is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,82
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.817,82
3.14.
[eiser] heeft de wettelijke handelsrente over de proceskosten gevorderd. Omdat de proceskosten niet uit de overeenkomst volgen, wordt alleen de gewone wettelijke rente over de proceskosten toegewezen.
3.15.
[eiser] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Porterhouse worden begroot op:
- salaris gemachtigde
203,00
(0,5 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
338,00
3.16.
De door Porterhouse gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt Porterhouse om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.977,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 7 mei 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt Porterhouse om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 622,77 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt Porterhouse in de proceskosten van € 1.817,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Porterhouse niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt Porterhouse tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.7.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 338,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, ondersteund door
mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.