ECLI:NL:RBAMS:2025:5198

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
C/13/766005 / HA RK 25-87
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopig getuigenverhoor wegens niet-ontvankelijkheid verzoekster

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 17 juli 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Verzoekster, een vrouw van Israëlische afkomst, verzocht de rechtbank om getuigen te horen in het kader van een echtscheidingsprocedure tegen haar ex-echtgenoot. Ze stelde dat haar ex-echtgenoot onjuiste stellingen had ingenomen over haar arbeidscapaciteit en dat ze bewijs wilde vergaren om deze stellingen te weerleggen. De rechtbank oordeelde echter dat verzoekster niet-ontvankelijk was in haar verzoek, omdat de betrokken partijen, [verweerder 1] en Boutique 049, geen wederpartijen waren in de echtscheidingsprocedure. De rechtbank concludeerde dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor niet betrekking had op mogelijke vorderingen tegen deze partijen, en dat verzoekster onvoldoende belang had bij haar verzoek. De proceskosten werden aan verzoekster opgelegd, en de rechtbank verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/766005 / HA RK 25-87
Beschikking van 17 juli 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
advocaat: mr. J. du Bois,
tegen

1.[verweerder 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. [naam 4] ,
2.
BOUTIQUE 049 B.V.,
gevestigd te Lisse,
advocaat: mr. W.M. Hes,
verwerende partijen.
Partijen worden hierna [verzoeker] , [verweerder 1] en Boutique 049 genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (aangepaste) verzoekschrift van 12 maart 2025, met producties,
- de beschikking van 15 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift van Boutique 049, met producties,
- het verweerschrift van [verweerder 1] , met producties,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 juni 2025,
- de zittingsaantekeningen van de griffier van die mondelinge behandeling en de door mr. Du Bois voorgedragen spreekaantekeningen, die zich in het dossier bevinden.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is van Israëlische afkomst en woont sinds haar huwelijk (in 2015) met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) in Nederland. [verzoeker] en [naam 1] zijn inmiddels verwikkeld in een echtscheidingsprocedure die bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt.
2.2.
[naam 1] is als juridisch medewerker werkzaam bij [verweerder 1] , zijnde een advocatenkantoor, en is bevriend met de heer [naam 2] . [naam 2] is (indirect) bestuurder van Boutique 049, een vennootschap die hotel(kamer)s exploiteert.
2.3.
[naam 1] heeft in het kader van de echtscheidingsprocedure op 10 februari 2025 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift neemt hij onder andere het standpunt in dat [verzoeker] , sinds zij in Nederland woont, altijd actief heeft deelgenomen aan het arbeidsproces, nu zij van 1 juni 2016 tot en met 30 april 2024 in dienst is geweest bij [verweerder 1] , en in het kader van haar dienstverband de portefeuille Hebreeuws sprekende cliënten zou hebben beheerd, en dat zij van 1 juni 2022 tot en met 29 februari 2024 werkzaam is geweest als
office managerbij Boutique 049, waar zij ook de dagelijkse schoonmaak en inkoop van goederen bij Boutique 049 zou hebben gecoördineerd. [naam 1] stelt in het kader van de echtscheidingsprocedure dat [verzoeker] ten minste verdiencapaciteit heeft ter hoogte van haar laatstverdiende loon.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat de stellingen die [naam 1] in de echtscheidingsprocedure heeft ingenomen, onjuist zijn; zij heeft nooit werkelijk bij [verweerder 1] of Boutique 049 gewerkt en [naam 1] probeert op deze manier onder zijn alimentatieplicht uit te komen. De stukken die [naam 1] in de echtscheidingsprocedure heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen, zijn vervalst. [verzoeker] heeft belang bij een voorlopig getuigenverhoor zodat ze kan aantonen dat zij nooit voor beide verweerders heeft gewerkt en dus niet de verdiencapaciteit heeft die ze volgens [naam 1] heeft.
3.3.
[verzoeker] verzoekt de volgende personen als getuigen op te roepen:
de heer [naam 3] , oprichter en kantoorhouder van [verweerder 1] ,
mevrouw [naam 4] , partner bij [verweerder 1] ,
mevrouw [naam 5] , advocaat bij [verweerder 1] ,
[naam 1] ,
de heer [naam 6] , juridisch medewerker bij [verweerder 1] ,
mevrouw [naam 7] , administratief medewerker bij [verweerder 1] ,
de heer [naam 8] , communicatiemedewerker bij [verweerder 1] ,
de heer [naam 2] , bestuurder van Boutique 049,
de heer [naam 9] , werkzaam bij Boutique 049,
de heer [naam 10] , cliënt van [verweerder 1] ,
de heer [naam 11] , cliënt van [verweerder 1] ,
de heer [naam 12] , cliënt van [verweerder 1] ,
[verzoeker] ,
mevrouw [naam 13] , vriendin van [verzoeker] .
3.4.
[verweerder 1] en Boutique 049 verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens hen moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek, omdat ze de verkeerde partijen heeft betrokken. [verzoeker] heeft geen vorderingen en kan geen vorderingen hebben op [verweerder 1] en Boutique 049; [naam 1] is haar wederpartij. Ook inhoudelijk hebben genoemde partijen (nagenoeg gelijkluidende) verweren gevoerd. Beide partijen stellen zich, kort samengevat, op het standpunt dat uit de reeds voorhanden zijnde bewijzen onomstotelijk blijkt dat sprake was van arbeidsovereenkomsten tussen [verzoeker] en [verweerder 1] en Boutique 049. Ook is reeds aangetoond en erkend dat [verzoeker] van beide partijen loon op haar rekening heeft ontvangen. [verzoeker] heeft aldus een erg zwakke materiële rechtspositie, heeft onvoldoende belang bij haar verzoek (artikel 196 lid 2 onder b Rv en artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en maakt bovendien misbruik van haar bevoegdheid door dit verzoek zo in te stellen (artikel 196 lid 2 onder d Rv en artikel 3:13 BW). Feitelijk wil ze met het verzochte verhoor, gezien de arbeids- dan wel vriendschappelijke relatie die [naam 1] met verweerders heeft, [naam 1] onder druk zetten in het kader van de echtscheidingsprocedure, aldus [verweerder 1] en Boutique 049.

4.De beoordeling

4.1.
Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 Rv de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. De verzoekende partij kan hiermee bewijs verkrijgen van feiten en omstandigheden die zij in een eventueel te beginnen of aanhangige procedure dient te bewijzen. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen, tenzij één (of meer) afwijzingsgrond(en), genoemd in artikel 196 lid 2 Rv, van toepassing is of zijn. Artikel 197 lid 2 Rv bepaalt dat het verzoekschrift niet alleen de aard en het beloop van de vordering moet inhouden, maar (onder meer) ook de naam van de wederpartij.
Doel en belang verzoek [verzoeker]
4.2.
De raadsvrouw van [verzoeker] heeft ter zitting (aan de hand van spreekaantekeningen) verduidelijkt wat nu het precieze doel is van (en het belang is bij) het verzoek van [verzoeker] getuigen te laten horen:

Verzoekster, mevrouw [verzoeker] , is verwikkeld in een gecompliceerde (v)echtscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot, de heer [naam 1] .
(..)
Voor de vraag die vandaag voorligt is vooral relevant, dat [naam 1] zich op het standpunt stelt, dat [verzoeker] een ruime arbeidscapaciteit zou hebben en dat zou weer blijken uit het arbeidsverleden (van [verzoeker] ) bij de verweerders in deze procedure.
(..)
Een van de gronden waarom het onderhavige verzoek dus voor toewijzing gereed ligt, is omdat [verzoeker] het recht niet mag worden ontnomen en zij niet mag worden beperkt in de op haar rustende bewijsplicht in de echtscheiding.
(..)
Verweerders slaan de plank mis door beiden te stellen dat het horen van getuigen noodzakelijk is om “haar man – de heer [naam 1] , met wie zij in echtscheiding ligt onder drukt te zetten” of vanwege “het verkrijgen van partner- en kinderalimentatie”. Op dat laatste onderdeel dient nog slechts over de hoogte van die – in rechte reeds aan [verzoeker] toegewezen – bijdragen te worden gediscussieerd. Het zijn vooral de overige stellingen van [naam 1] die maken dat een getuigenverhoor noodzakelijk is om de waarheid boven tafel te krijgen. De voorlopige bijdragen van [naam 1] aan [verzoeker] zijn dus al toegewezen en die opmerking kan dus worden gepasseerd en van enige druk kan ook al geen sprake zijn nu partijen in de echtscheiding alle stellingen al hebben ingenomen en op [verzoeker] nog slechts een bewijsplicht rust om stellingen gemotiveerd te (kunnen) weerleggen.
(..)
[verzoeker] benadrukt dat het haar verdriet doet dat [naam 1] haar geen andere keuze laat dan dit rechtsmiddel aan te (moeten) grijpen om zijn onwaarheden te (kunnen) weerleggen. (..)”
4.3.
[verzoeker] zelf heeft ter zitting toegelicht dat zij weliswaar met [verweerder 1] en Boutique 049 arbeidsovereenkomsten en/of vaststellingsovereenkomsten heeft gesloten, maar dat zij de betekenis van die overeenkomsten destijds niet begreep. Ze beheerste de Nederlandse taal onvoldoende. [verzoeker] heeft één en ander ondertekend op aanwijzing van [naam 1] , waarna hij het loon dat daaruit voortkwam, voor zichzelf heeft gehouden. Datzelfde geldt voor de WW-uitkeringen, die ze met haar DigiD heeft aangevraagd. Ook die aanvragen heeft ze op aanwijzen van [naam 1] gedaan. [verweerder 1] en Boutique 049 hebben dus terecht gesteld dat zij loon van hen heeft ontvangen en dat zij vervolgens WW-uitkeringen heeft aangevraagd en uitgekeerd heeft gekregen, maar waar het [verzoeker] in deze procedure om gaat, is dat zij door het horen van de genoemde getuigen kan aantonen dat ze feitelijk nooit voor [verweerder 1] en/of Boutique 049 heeft
gewerkten dat zij aldus, anders dan [naam 1] stelt, geen verdiencapaciteit heeft. Er was sprake van spookconstructies. Dit is volgens haar, gezien de in de echtscheidingsprocedure ingenomen stellingen van [naam 1] , van belang voor de uitkomst van die procedure.
Niet-ontvankelijk
4.4.
Gelet op het voorgaande, is duidelijk dat [verzoeker] (hoofdzakelijk) bewijs wenst te vergaren in het kader van de echtscheidingsprocedure, zijnde een procedure tussen [naam 1] en [verzoeker] . Daargelaten de vraag of [verzoeker] , nu de echtscheidingsprocedure al aanhangig is, nog om voorlopige bewijsverrichtingen kán verzoeken en zich met haar verzoek om bewijs te mogen leveren niet tot de behandelend rechter in de echtscheidingsprocedure zou moet wenden (artikel 196 lid 1 Rv), geldt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. In de echtscheidingsprocedure liggen immers uitsluitend verzoeken en verweren van [naam 1] en [verzoeker] voor. [verweerder 1] en Boutique 049 zijn geen partij in die procedure en kunnen dat ook niet worden. Het verzochte voorlopige getuigenverhoor heeft in zoverre dan ook geen betrekking op (mogelijke) in te stellen vorderingen op [verweerder 1] en/of Boutique 049. Genoemde partijen zijn in dit verband dus geen wederpartij(en) van [verzoeker] als bedoeld in artikel 197 lid 2 onder c Rv; de wederpartij is [naam 1] .
4.5.
[verzoeker] heeft weliswaar ook, zij het minder prominent, gesteld dat zij - aan de hand van het te verkrijgen bewijs uit het voorlopig getuigenverhoor - wil beoordelen of zij misschien ook vorderingen jegens [verweerder 1] en Boutique 049 kan instellen. In dit kader heeft zij aangevoerd dat zij, als zou komen vast te staan dat wél sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten, dan financieel is benadeeld en door genoemde partijen schadeloos wenst te worden gesteld. Zij heeft het van deze partijen ontvangen loon dan immers nooit
werkelijkontvangen, omdat dat loon volledig ten goede is gekomen aan [naam 1] .
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt evenwel niet goed in te zien hoe één en ander zou kunnen leiden tot vorderingen op [verweerder 1] en Boutique 049, aangezien [verzoeker] ter zitting heeft verklaard dat het loon wel door genoemde partijen is betaald en wel op
haarrekening. Ook als uit de getuigenverhoren naar voren zou komen dat [naam 1] zich het aan [verzoeker] toekomende en betaalde loon (ten onrechte) zou hebben toegeëigend, valt nog niet in te zien hoe dit tot vorderingen op [verweerder 1] en Boutique 049 zou kunnen leiden. Ook in die zin kunnen [verweerder 1] en Boutique 049 dus niet als wederpartij(en) in de hiervoor bedoelde zin worden aangemerkt.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek. Al hetgeen [verweerder 1] en Boutique 049 voor het overige tot hun verweer hebben aangevoerd, kan daarmee onbesproken blijven.
De proceskosten
4.7.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [verweerder 1] en Boutique 049 betalen.
4.8.
De proceskosten van [verweerder 1] worden vastgesteld op € 2.120,-, bestaande uit € 714,- aan griffierecht, € 1.228,- aan salaris van de advocaat (2 punten, tarief II) en € 178.- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
4.9.
De proceskosten van Boutique 049 worden vastgesteld op € 2.120,-, bestaande uit € 714,- aan griffierecht, € 1.228,- aan salaris van de advocaat (2 punten, tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). Dit bedrag wordt nog vermeerderd met de wettelijke rente zoals hieronder in de beslissing vermeld.
4.10.
De door Boutique 049 gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling zal, nu daartegen door [verzoeker] geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder 1] te betalen een bedrag van € 2.120,- aan proceskosten. Als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, moet [verzoeker] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] om aan Boutique 049 te betalen een bedrag van € 2.120,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoel in art. 6:119 BW over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan. Als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, moet [verzoeker] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.4.
verklaart de veroordelingen in 5.3 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.