De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 juli 2025 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten op 24 augustus 2009. De opgeëiste persoon, van Poolse nationaliteit, werd vertegenwoordigd door een advocaat. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit was ingetrokken, en dat het vonnis waarop het EAB was gebaseerd door een Poolse rechter was vernietigd.
Gezien deze omstandigheden waren zowel de officier van justitie als de raadsvrouw van mening dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Tevens stelde de rechtbank vast dat de overleveringsdetentie van rechtswege was vervallen.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Hiermee is de procedure betreffende het ingetrokken EAB beëindigd.