AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot schorsing van overleveringsdetentie wegens vluchtgevaar
De rechtbank Amsterdam heeft op 20 juni 2025 het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon, geboren in 1973 te Polen, behandeld. De opgeëiste persoon is gedetineerd en het verzoek werd ondersteund door zijn raadslieden, die tevens een subsidiair verzoek indienden om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De officier van justitie verzette zich tegen het verzoek tot schorsing en stelde dat er sprake is van groot vluchtgevaar, wat ook blijkt uit het Europees Arrestatiebevel en de bijbehorende stukken. De rechtbank achtte het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan de overlevering onttrekt.
Het subsidiaire verzoek om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen over de toetsing aan artikel 5 EVRMPro werd eveneens afgewezen. De rechtbank overwoog dat de overleveringsprocedure valt onder artikel 5, eerste lid, sub f EVRM, waarbij het vierde lid van dat artikel de mogelijkheid biedt om de rechtmatigheid van de detentie te toetsen, maar niet de redelijkheid van de verdenking.
De beslissing werd genomen door voorzitter E. Biçer en griffier I.M.A. de Vries. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het EHRM die bevestigen dat de redelijkheidstoets niet van toepassing is op overleveringsprocedures.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt afgewezen vanwege reëel vluchtgevaar.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Internationale rechtshulpkamer
Parketnummer: 13-309092-24
Beslissing op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie
De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 3 en 19 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van de Overleveringswet (OLW) van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
Raadslieden mr. R. Malewicz en mr. T. Korff.
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Gelet op de behandeling in raadkamer op 20 juni 2025, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en de raadslieden.
De raadsvrouw heeft het verzoekschrift toegelicht.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek en heeft daartoe aangevoerd dat uit het Europees Arrestatiebevel en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van groot vluchtgevaar.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank acht geen termen aanwezig de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te bevelen. Zij acht het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventueel toelaatbaar geoordeelde overlevering zal onttrekken.
De rechtbank zal het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afwijzen.
Het subsidiaire verzoek van de raadslieden is om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over het volgende. Bij een vervolgings-EAB is de opgeëiste persoon ook verdachte en om die reden menen de raadslieden dat ook getoetst moet worden aan artikel 5, eerste lid, sub c van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De bescherming die daarmee samenhangt staat in het derde lid van hetzelfde artikel en betekent ook dat de redelijkheid van de verdenking getoetst tegen iemand die in detentie zit moet kunnen worden getoetst.
Ook het subsidiaire verzoek om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen wordt afgewezen. De overleveringsprocedure valt onder artikel 5, eerste lid, sub f van het en daarmee onder de bescherming van het vierde lid van hetzelfde artikel. Dit laatstgenoemde lid geeft de mogelijkheid om een voorziening te vragen bij de rechter omtrent de rechtmatigheid van de (overleverings)detentie. Zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) [1] als het EHRM [2] hebben eerder geoordeeld dat het lid dat gaat om de mogelijkheid om de redelijkheid van de verdenking te toetsen niet van toepassing is op overleveringsprocedures.
Beslissing
De rechtbank:
- Wijst afhet verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]voornoemd.
Deze beslissing is genomen op 20 juni 2025 door:
mr. E. Biçer, voorzitter,
in tegenwoordigheid van I.M.A. de Vries, griffier.
Voetnoten
1.HvJ EU 28 juni 2021, C-649/19, ECLI:EU:C:2021:75 (