De werknemer trad in 2019 in dienst bij Work-IC en raakte in april 2025 ziek na een medische ingreep. Work-IC stelde dat de werknemer in april 2024 een vaststellingsovereenkomst had getekend waarin de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2025 zou eindigen. De werknemer betwistte de echtheid van zijn handtekening en vorderde loonbetaling over april, mei en doorbetaling vanaf juni 2025.
Work-IC liet een forensisch onderzoek uitvoeren dat concludeerde dat het veel waarschijnlijker was dat de werknemer de handtekening had gezet. De werknemer stelde echter dat het rapport niet onomstotelijk was en voerde aan dat hij onvoldoende was gewezen op de gevolgen van de overeenkomst, waardoor deze vernietigbaar zou zijn wegens dwaling.
De kantonrechter oordeelde dat in kort geding geen ruimte is voor uitgebreid bewijs en dat de onzekerheid over de bodemprocedure te groot is om de loonvordering voorlopig toe te wijzen. De vorderingen van beide partijen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.