Klager heeft een beklag ingediend tegen het beslag op 1.124 fatbikes, gelegd op grond van vermoedelijke overtreding van de Bromfietsverordening. Klager betwist dat de fatbikes onder de verordening vallen en stelt dat de gebruikte testmethoden van de ILT onbetrouwbaar zijn. Ook voert klager aan dat het beslag disproportioneel is en dat het niet aannemelijk is dat de fietsen onttrokken zullen worden aan het verkeer.
De rechtbank heeft de bevoegdheid tot behandeling van het klaagschrift vastgesteld en het onderzoek in raadkamer met een summier karakter uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat de indicatieve testen van de ILT voldoende betrouwbaar zijn voor het huidige stadium van het onderzoek en dat het belang van de verkeersveiligheid zwaarwegend is. Nadere testen bij TÜV Rheinland zijn nog gaande.
De rechtbank concludeert dat het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vordert en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later zal oordelen dat de fatbikes onttrokken zullen worden aan het verkeer. Het verzoek tot teruggave wordt daarom afgewezen en het beklag ongegrond verklaard.