ECLI:NL:RBAMS:2025:5747
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking van een urgentieverklaring na weigering van een eenmalig woonaanbod en de ontvankelijkheid van het bezwaar
In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 7 augustus 2025, in de zaak tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, wordt de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van haar urgentieverklaring beoordeeld. Eiseres had op 5 juni 2025 een eenmalig woningaanbod ontvangen op basis van medische urgentie, maar weigerde dit aanbod omdat zij de woning niet passend vond. Op 12 juni 2025 trok het college de urgentieverklaring in, waarna eiseres op 30 augustus 2024 bezwaar maakte. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, wat eiseres aanvecht.
De rechtbank oordeelt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt en dat deze termijn is overschreden. Eiseres stelt dat zij niet kan worden verweten dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt, onder andere vanwege onvoldoende begeleiding van de gemeente. De rechtbank wijst deze stelling af, omdat eiseres zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van haar bezwaarschrift en er geen bewijs is dat de gemeente haar onvoldoende heeft begeleid. De rechtbank concludeert dat de aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar zijn, en dat eiseres op de hoogte was van de mogelijke gevolgen van haar weigering van het woningaanbod.
Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de eiseres in het proces en de noodzaak om tijdig bezwaar te maken tegen besluiten van het college.