ECLI:NL:RBAMS:2025:5747

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
25/418
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van een urgentieverklaring na weigering van een eenmalig woonaanbod en de ontvankelijkheid van het bezwaar

In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 7 augustus 2025, in de zaak tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, wordt de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van haar urgentieverklaring beoordeeld. Eiseres had op 5 juni 2025 een eenmalig woningaanbod ontvangen op basis van medische urgentie, maar weigerde dit aanbod omdat zij de woning niet passend vond. Op 12 juni 2025 trok het college de urgentieverklaring in, waarna eiseres op 30 augustus 2024 bezwaar maakte. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, wat eiseres aanvecht.

De rechtbank oordeelt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt en dat deze termijn is overschreden. Eiseres stelt dat zij niet kan worden verweten dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt, onder andere vanwege onvoldoende begeleiding van de gemeente. De rechtbank wijst deze stelling af, omdat eiseres zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van haar bezwaarschrift en er geen bewijs is dat de gemeente haar onvoldoende heeft begeleid. De rechtbank concludeert dat de aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar zijn, en dat eiseres op de hoogte was van de mogelijke gevolgen van haar weigering van het woningaanbod.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de eiseres in het proces en de noodzaak om tijdig bezwaar te maken tegen besluiten van het college.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. F. Schuttenhelm).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft eiseres een eenmalig woningaanbod van Eigen Haard in Amsterdam Noord ontvangen op grond van een medische urgentie. Eiseres heeft het eenmalig woning aanbod geweigerd omdat de woning volgens haar niet passend is.
1.2.
Op 12 juni 2025 heeft het college de urgentieverklaring ingetrokken (het primaire besluit).
1.3.
Op 30 augustus 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt in deze zaak alleen de ontvankelijkheid van het bezwaar, in andere woorden of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat haar niet kan worden verweten dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt.
2.2.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint nadat het besluit is bekendgemaakt. In principe wordt een bezwaarschrift dat na het aflopen van de termijn wordt ingediend niet in behandeling genomen (niet-ontvankelijk verklaard). Hierop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als iemand niet kan worden verweten dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt (‘verschoonbare termijnoverschrijding’). Dan blijft op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
2.3.
De bezwaartermijn is gestart op 13 juni 2024. Dit is de dag na bekendmaking van het besluit van 12 juni 2024. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat eiseres pas op 30 augustus 2024 bezwaar heeft gemaakt dat zij dus te laat was met het maken van bezwaar. Eiseres is echter om verschillende redenen van mening dat haar niet kon worden verweten dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt.
2.4.
Als eerste reden, voert zij aan dat de gemeente onvoldoende begeleiding heeft geboden om haar te helpen met de bezwaarprocedure. De contactpersoon bij de gemeente was niet beschikbaar waardoor eiseres niet wist waar zij terecht kon voor advies en begeleiding. Ook is er volgens eiseres door de gemeente op een later moment toegezegd dat zij alsnog bezwaar kon maken. Om die reden is het haar volstrek onduidelijk dat de gemeente over is gegaan tot een niet-ontvankelijkheid verklaring.
2.5.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Op zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat eiseres wordt ondersteund bij een urgentieaanvraag, maar dit is geen individueel begeleidingstraject. Eiseres wordt dus niet in alles begeleid. In het besluit staat precies aangegeven wat eiseres moet doen als zij bezwaar wil maken. Eiseres is zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van haar bezwaarschrift. Er zijn geen aanknopingspunten dat eiseres in alles werd begeleid door de gemeente. Het ontbreken van begeleiding vanuit de gemeente is dan ook geen reden om de termijnoverschrijding van eiseres verschoonbaar te achten. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat onderaan het besluit een rechtsmiddelenclausule is opgenomen, met daarin de termijn voor het maken van bezwaar.
2.6.
De rechtbank is het met het college eens dat de aangevoerde argumenten geen aanleiding geven om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het college heeft toegelicht dat de ziekte van de zoon van eiseres helaas een kenbaar en doorlopend probleem is. Dat de zoon van eiseres in die periode veel meer intensieve zorg dan gebruikelijk nodig had, is niet gebleken. De vakantie is een planbare activiteit en is dus evenmin een plotselinge gebeurtenis waar eiseres mee te maken krijgt. Eiseres had iets kunnen en moeten regelen voor de post gedurende de tijd dat zij afwezig was wegens vakantie. Zowel de ziekte van de zoon van eiseres als de vakantie zijn geen redenen die aanleiding geven om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het college stelt dat het vervelend is voor eiseres dat zij te laat is geweest met het maken van bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. Maar eiseres wist, dat toen zij de woning weigerde, zij geconfronteerd zou kunnen worden met een intrekkingsbesluit. Dit betekent dat zij zich daarop had kunnen voorbereiden. Ook nu blijft voor de verantwoordelijkheid van eiseres dat zij op tijd bezwaar aantekent.
2.7.
Op de zitting heeft de rechter nog tevergeefs geprobeerd duidelijk te krijgen van wanneer tot wanneer eiseres met vakantie is geweest en wanneer eiseres kennis heeft genomen van het besluit. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres op zitting anders lijkt te hebben verklaard dan in haar beroepsschrift. Dat een en ander niet is opgehelderd geeft geen aanleiding om anders te oordelen.
2.8.
Tot slot is de rechtbank het eens met het college dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan de gestelde uitlating van een medewerker van de gemeente nadat de bezwaartermijn inmiddels was verstreken. Die medewerker zou tegen eiseres hebben gezegd dat zij alsnog bezwaar kon aantekenen. Het college heeft hier terecht over opgemerkt dat zo’n mededeling correct is. Het college heeft hier ook terecht over opgemerkt dat die mededeling geen toezegging is dat het bezwaar ook inhoudelijk zal worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.