In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de AOW-pensioenstatus van eiser, die in Zweden woont, terwijl zijn echtgenote in Nederland verblijft. Eiser, geboren in 1948, ontving sinds 2013 een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden. Na een handhavingsonderzoek in 2023 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vastgesteld dat eiser en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven, wat heeft geleid tot een ongegrond verklaard bezwaar van eiser tegen het besluit van de SVB om zijn pensioenstatus niet te wijzigen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de fysieke afstand en het ontbreken van een gedeeld huishouden op zichzelf onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van duurzaam gescheiden leven. Eiser en zijn echtgenote hadden regelmatig contact en gaven hun huwelijk op een eigen wijze invulling, waarbij de affectieve band tussen hen in stand was gebleven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de SVB terecht heeft vastgesteld dat eiser in 2024 als gehuwde moet worden aangemerkt en dat er geen recht is op een AOW-pensioen voor alleenstaanden. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij heeft geen recht op vergoeding van het griffierecht.