ECLI:NL:RBAMS:2025:6320

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
24/5458
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete opgelegd aan winkel wegens overtreding van de Alcoholwet

Deze uitspraak betreft een bestuurlijke boete die de burgemeester van Amsterdam heeft opgelegd aan eiseres, een winkelier, wegens een overtreding van de Alcoholwet. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete van € 1.565,- en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester terecht een overtreding heeft vastgesteld en of de boete terecht is opgelegd. De rechtbank concludeert dat het rapport van bevindingen van de toezichthouder voldoende duidelijk is en dat er inderdaad sprake is van een overtreding. Eiseres heeft zwak-alcoholhoudende dranken in haar winkel verkocht, wat in strijd is met de Alcoholwet. De rechtbank oordeelt dat de winkel van eiseres niet onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 18 van de Alcoholwet valt, omdat de winkel niet in overwegende mate levensmiddelen verkoopt. De rechtbank wijst het beroep van eiseres af, waardoor de boete gehandhaafd blijft. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen),
en

de burgemeester van Amsterdam, de burgemeester

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete die de burgemeester aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Alcoholwet. Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank of de burgemeester terecht een overtreding van de Alcoholwet heeft vastgesteld en daarvoor een bestuurlijke boete heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester aan eiseres een bestuurlijke boete heeft kunnen opleggen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres exploiteert een winkel met een algemeen assortiment van voedings- en genotmiddelen, souvenirs, alsmede rookwaren.
2.1.
Op 14 maart 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat in de winkel van eiseres zwak-alcoholhoudende dranken aanwezig was. Deze constateringen zijn opgenomen in het rapport van bevindingen van 14 maart 2024.
2.2.
Met het besluit van 8 april 2024 heeft de burgemeester aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.565,-. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam 1] en de heer [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Kan het rapport van bevindingen ten grondslag liggen aan het bestreden besluit?
3. Eiseres voert aan dat het rapport van bevindingen niet kan dienen als onderbouwing van het bestreden besluit. Het rapport is onvolledig en de foto’s geven geen volledig beeld van de inrichting van de winkel.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van bevindingen voldoende duidelijk is. De toezichthouder heeft in het rapport van bevindingen feitelijk beschreven hoe de winkel van eiseres eruit zag en dat in de winkel zwak-alcoholhoudende dranken werden aangeboden. De toezichthouder omschrijft dat hij een rondje door de winkel heeft gelopen en zag dat er qua levensmiddelen alleen chips en koek werden verkocht. De toezichthouder heeft meer alcoholhoudende dranken in de winkel gezien dan souvenirs of levensmiddelen. Op de foto’s bij het rapport van bevindingen zijn stellingen te zien met souvenirs, kleding, elektronica, verzorgingsproducten en andere producten gericht op toeristen. Dat niet van de gehele winkel foto’s zijn gemaakt door de toezichthouder, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de waarnemingen van de toezichthouder in twijfel te trekken. Het rapport van bevindingen van 14 maart 2024 mag ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding?
4. Eiseres voert aan dat de toezichthouder niet heeft vastgesteld dat alcoholhoudende dranken werd verkocht op het moment dat de toezichthouder in de winkel aanwezig was. Hierdoor kan aan eiser geen bestuurlijke boete worden opgelegd voor de verkoop van alcoholhoudende dranken.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. De eigenaar van de winkel heeft immers tegenover de toezichthouder verklaard dat hij dacht dat hij alcohol mocht verkopen in de winkel, en op de zitting bevestigd dat hij ook daadwerkelijk alcoholhoudende dank verkocht. Daarmee staat de overtreding vast. Nog los daarvan is de overtreding niet enkel gebaseerd op het verkopen van alcoholhoudende dranken, maar ook op het aanwezig en op voorraad hebben van alcoholhoudende drank in de winkel. [1] Dat hiervan sprake was, wordt ook niet betwist en blijkt voldoende uit het rapport van bevindingen van 14 maart 2024. Er is dan ook sprake van een overtreding.
Valt de winkel van eiseres onder het begrip ‘in overwegende mate’ als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet?
5. Eiseres voert samengevat aan dat de burgemeester ten onrechte een bestuurlijke boete heeft opgelegd, omdat de winkel van eiseres onder de uitzonderingsbepaling van artikel 18, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet valt. Volgens eiseres wordt in de winkel in overwegende mate levensmiddelen of tabak of aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken verkocht. Ook heeft de toezichthouder geen financiële informatie ingewonnen over de omvang van de verkoop van levensmiddelen in de winkel.
5.1.
Uit de lezing van artikel 18, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet leidt de rechtbank af dat bij de uitzondering sprake moet zijn van een winkel waarin voornamelijk levensmiddelen worden verkocht, wil aan de voorwaarden van die bepaling worden voldaan. De rechtbank zoekt aansluiting bij de wetsgeschiedenis van de DHW [2] (voorganger van de Alcoholwet). De tekst van het oude artikel 18, tweede lid, van de DHW en de tekst van het geldende artikel 18 van de Alcoholwet zijn identiek. Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de DHW [3] worden supermarkten, poeliers, delicatessezaken, slagers, viswinkels en groentezaken als voorbeelden genoemd als winkels waarin voornamelijk levensmiddelen worden verkocht.
5.2.
Deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat bij de beoordeling of iemand in overwegende mate levensmiddelen verkoopt, met name naar het aanbod en de uitstraling van de winkel wordt gekeken. [4] Voor de stelling van eiseres dat gekeken moet worden naar de financiële gegevens, zoals omzet, vindt de rechtbank geen steun in de Memorie van Toelichting. In het verweerschrift heeft de burgemeester toegelicht dat met de term ‘overwegend’ een hoeveelheid wordt bedoeld die ruim meer dan de helft bedraagt. Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester toegelicht dat eiseres in overeenstemming met het bestemmingsplan maximaal 25% van het winkeloppervlakte voor de verkoop van souvenirs mag gebruiken. Uit het rapport van bevindingen en de foto’s blijkt dat het assortiment van de winkel bestaat uit zeer diverse artikelen, waaronder kleding, souvenirs, producten gericht op toeristen, verzorgingsartikelen, chips, koek, snoep, non-alcoholische (fris)dranken en alcoholhoudende dranken. De burgemeester kon naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het aanbod en de uitstraling van de winkel, dan ook concluderen dat het aandeel levensmiddelen onvoldoende is om te kunnen spreken van een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht. Dat het een open norm betreft en onduidelijk is wat ‘in overwegende mate’ precies inhoudt, doet aan het voorgaande niet af. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in haar zienswijze van 2 april 2024 erkent dat correct door de toezichthouder is geconstateerd dat er alleen wat chips en koek in de winkel lag. Bovendien wist zij, gelet op een eerdere procedure in 2019, dat zij de mogelijkheid om zwak-alcoholische dranken te verkopen verliest wanneer zij niet meer overwegend supermarktproducten verkoopt. De winkel van eiseres valt dan ook niet onder de uitzondering van artikel 18, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet.
Valt de winkel van eiseres onder de definitie van warenhuis als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder b, van de Alcoholwet?
6. Eiseres voert tot slot aan dat als artikel 18, tweede lid, onderdeel a, niet van toepassing is, de winkel voldoet aan de definitie van onderdeel b van hetzelfde lid, omdat sprake is van 'een warenhuis met een levensmiddelenafdeling met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m2 waarop een gevarieerd assortiment aan verpakt en onverpakt etenswaren wordt verkocht.’
6.1.
De rechtbank is met de burgemeester van oordeel dat uit artikel 18 van de Alcoholwet en de Memorie van Toelichting blijkt dat met een warenhuis een winkel wordt bedoeld met meerdere afdelingen, waaronder een levensmiddelenafdeling. De winkel van eiseres bestaat niet uit meerdere afdelingen en heeft ook geen ‘levensmiddelenafdeling’. Ook is er geen sprake van een minimale oppervlakte van 15 m2 en een ‘gevarieerd assortiment levensmiddelen’. De winkel voldoet daarom niet aan de omschrijving van warenhuis en valt niet onder de uitzondering van artikel 18, tweede lid, onder b, van de Alcoholwet.
6.2.
Nu er sprake is van een overtreding en de winkel van eiseres niet onder de uitzonderingen van artikel 18, tweede lid, onder a en b, van de Alcoholwet valt, was de burgemeester bevoegd om een boete op te leggen.
Hoogte boete
7. Volgens de bijlage bij het Alcoholbesluit betreft overtreding van artikel 25 van de Alcoholwet een overtreding van de categorie C. Het boetebedrag wordt vastgesteld op grond van het aantal werknemers. Eiseres heeft minder dan 50 werknemers in dienst en daarom geldt het lage boetebedrag van € 1.565,-. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb om af te wijken van het beleid en de wettelijk vastgestelde boetebedragen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de artikelen 18, eerste en tweede lid, 25, eerste lid, onder a en b, en 44a, eerste en derde lid van de Alcoholwet en hoofdstuk 7 van het Alcoholbesluit en de daarbij horende bijlage van het Alcoholbesluit die aan de boete ten grondslag zijn gelegd.
2.Drank- en Horecawet.
3.Kamerstukken II 1997/98, 25969, nr. 3, blz. 26.
4.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3665 (zaaknummer: AMS 24/916, nog niet gepubliceerd).