Op 19 maart 2025 werd verdachte verdacht van poging tot diefstal met braak en subsidiarisch vernieling van een raam van een balkondeur. De rechtbank oordeelde dat de poging tot diefstal niet bewezen kon worden omdat het oogmerk ontbrak. De vernieling werd wel bewezen geacht op basis van de bekennende verklaring van verdachte en aangifte.
Verdachte maakte bij zijn aanhouding een verwarde indruk en verklaarde dat hij een vrouw wilde redden die in de woning woonde, maar die bleek er niet te wonen. Hij sloeg met een hamer op het raam. Een psychiatrisch consult van het NIFP concludeerde dat verdachte leed aan chronische psychotische klachten met betrekkingswanen, waardoor hij niet kon begrijpen dat zijn handelen wederrechtelijk was.
De rechtbank volgde het advies van het Openbaar Ministerie en de verdediging en sprak verdachte vrij van strafbaarheid wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Tevens werd een zorgmachtiging voor zes maanden verleend om verdachte in zorg te krijgen. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.