De zaak betreft de beëindiging van de partnerovereenkomst tussen Uber en een zelfstandig taxichauffeur wegens meerdere klachten over zijn gedrag. Uber ontving binnen minder dan twee jaar vijf klachten, waaronder verbaal agressief gedrag, seksueel intimiderend gedrag en gevaarlijk rijgedrag. Uber waarschuwde de chauffeur meerdere malen en beëindigde uiteindelijk de overeenkomst met onmiddellijke ingang op grond van de partnerovereenkomst.
De chauffeur betwistte de klachten en stelde dat Uber de overeenkomst niet rechtsgeldig had opgezegd, dat hij recht had op een opzegtermijn en dat Uber onzorgvuldig had gehandeld bij de klachtbehandeling. Hij vorderde onder meer herstel van de overeenkomst, schadevergoeding en inzage in klachten.
De rechtbank oordeelde dat Uber op basis van de klachten en de ernst daarvan een dwingende reden had om de overeenkomst zonder opzegtermijn te beëindigen. De verklaringen van klagers werden zwaarder gewogen dan die van de chauffeur, die inconsistenties vertoonde in zijn taalvaardigheid en ontkenningen. Uber had de klachten volgens de overeenkomst behandeld en de belangen van veiligheid en betrouwbaarheid van het platform wogen zwaarder dan die van de chauffeur.
De vorderingen van de chauffeur werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank bevestigde dat de opzegging niet onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en dat Uber niet verplicht was klachten aan een geschillencommissie voor te leggen.