ECLI:NL:RBAMS:2025:6751

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 september 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
C/13/761241 / HA RK 24-454
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijdering van BKR-registratie afgewezen na belangenafweging

In deze zaak heeft [verzoeker] een verzoek ingediend bij de Rechtbank Amsterdam om zijn BKR-registratie te laten verwijderen. Dit verzoek is deels niet-ontvankelijk verklaard en het restant is afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een langdurige en oplopende achterstand in de betalingen door [verzoeker]. De procedure begon met een verzoekschrift op 17 december 2024, gevolgd door een mondelinge behandeling op 15 juli 2025. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden rondom de BKR-registratie en de betalingsachterstand van [verzoeker] zorgvuldig gewogen. De rechtbank oordeelde dat de belangen van Hoist, de verwerende partij, zwaarder wegen dan die van [verzoeker]. Hoist heeft de vordering van De Nederlandse Voorschotbank overgenomen en er is een aanzienlijke achterstand in de betalingen. De rechtbank concludeert dat de BKR-registratie proportioneel is en zijn doel dient, namelijk het beschermen van zowel de consument als de kredietverstrekkers. Het verzoek tot verwijdering van de registratie is afgewezen, en [verzoeker] is veroordeeld in de proceskosten van € 835,00.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/761241 / HA RK 24-454
Beschikking van 4 september 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. E.D. van Tellingen,
tegen
HOIST FINANCE AB,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Hoist,
gemachtigde: mr. N. Mantezila.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 17 december 2024, met producties,
- de beschikking van 26 juni 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025 met de daarin genoemde stukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] heeft in 2005 een bedrag van € 16.345,80 geleend van De Nederlandse Voorschotbank N.V.
2.2.
Op 4 juli 2012 is [verzoeker] door de kantonrechter veroordeeld tot betaling van het op dat moment openstaande bedrag van € 7.017,40 plus vertragingsvergoeding van 0,715% per maand daarover vanaf 4 november 2011 tot de dag der algehele voldoening.
2.3.
In de jaren daarna hebben verschillende gerechtsdeurwaarders geprobeerd om de vordering bij [verzoeker] te innen. Op een bepaald moment heeft Hoist de vordering van De Nederlandse Voorschotbank overgenomen.
2.4.
In september 2020 was het openstaande bedrag inmiddels opgelopen naar
€ 14.858,58 (waarvan € 5.684,07 rente).
2.5.
Op 15 mei 2023 is een aanvraag van [verzoeker] voor een (private) leaseauto afgekeurd, vanwege een negatieve BKR registratie.
2.6.
Op 6 juni 2023 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend bij Hoist om de BKR registratie te verwijderen. Dit verzoek is door Hoist op 13 juni 2023 afgewezen.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, Hoist te veroordelen om:
I. de BKR registratie te laten verwijderen, althans mee te werken aan verwijdering, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan;
II. aan [verzoeker] geen rente in rekening te brengen, althans te matigen tot maximaal
€ 3.010,46 plus de kosten van de procedure.
3.2.
[verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat hij veel meer heeft betaald dan dat hij was verschuldigd en dat de vordering dus is voldaan. Voor zover er nog een bedrag zou openstaan, is dat door Hoist verkeerd berekend. Verder is [verzoeker] bij het aangaan van de overeenkomst in 2005 niet (voldoende) gewaarschuwd waardoor de bank haar zorgplicht heeft geschonden.
3.3.
Hoist voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de Bureau Krediet Registratie (BKR) registratie moet worden verwijderd. De rechtbank licht hierna eerst in het algemeen toe wat de regels zijn als iemand wil dat een BKR registratie wordt verwijderd en op welke manier een verzoek tot verwijdering wordt beoordeeld. Daarna zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] beoordelen aan de hand van dat toetsingskader.
4.2.
Een BKR registratie is aan te merken als het verwerken van persoonsgegevens waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een persoon (hier [verzoeker] ) vanwege zijn of haar specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem of haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval Hoist) moet het bezwaar honoreren, tenzij deze dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, dan kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (het doel van de kredietregistratie) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG). Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds het beschermen van de consument tegen overkreditering en anderzijds het beschermen van kredietverstrekkers tegen consumenten die financiële verplichtingen niet (kunnen) nakomen.
4.3.
De belangenafweging moet worden gemaakt aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van de afweging bekend zijn. Bij deze afweging kunnen dus ook feiten en omstandigheden worden betrokken die zich na de registratie hebben voorgedaan. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het verzoek tot verwijdering van de BKR registratie zijn bijvoorbeeld:
  • de omvang van de schuld en/of de achterstand;
  • of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;
  • de reden voor (het ontstaan en voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid;
  • de huidige financiële situatie van betrokkene (waaronder het inkomen) en als deze weer stabiel is: hoe lang al;
  • of betrokkene andere schulden heeft;
  • of sprake is geweest van ernstige (al dan niet structurele) wanbetaling;
  • de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld voor de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);
  • het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.
Daarnaast moet bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het doel van de verwerking en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor hem of haar minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt.
Vordering niet voldaan
4.4.
[verzoeker] stelt dat hij door de jaren heen zoveel betalingen heeft gedaan, dat de schuld inmiddels is afgelost. Deze stelling, die door Hoist wordt betwist, wordt echter niet verder onderbouwd. [verzoeker] stelt dat hij in ieder geval meer heeft voldaan dan de in 2012 nog bestaande hoofdsom van € 7.017,40 en dat hij daarmee de gehele nog resterende schuld heeft betaald. Uit de stukken blijkt dat er in september 2020 nog een bedrag van
€ 14.858,58 openstond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hoist toegelicht dat er nog steeds zo’n € 14.000,- openstaat. Het had dan ook op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling (verder) te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank er voor de verdere beoordeling vanuit dat de vordering niet geheel is voldaan.
Belangenafweging
4.5.
[verzoeker] stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij directe verwijdering van zijn BKR registratie. Allereerst is hij bij het aangaan van de lening 20 jaar geleden niet gewaarschuwd voor het risico van een BKR registratie en de eventuele gevolgen daarvan. Daarnaast kan hij zonder BKR registratie zijn hypotheek verhogen en geld lenen bij een bank. Dit geld heeft hij nodig om te kunnen investeren in zijn onderneming en om de resterende schuld bij Hoist af te lossen. Verder is het niet proportioneel om eindeloos aan een BKR registratie vast te zitten. Tot slot heeft [verzoeker] nog een andere schuld bij het GLBT, maar daar heeft hij een betalingsregeling voor die hij gewoon nakomt. De reden dat hij de vordering van Hoist niet betaalt, is omdat het bedrag niet klopt, aldus [verzoeker] .
4.6.
Hoist stelt dat de belangen bij de instandhouding van de BKR registratie zwaarder wegen dan de belangen bij de verwijdering daarvan. [verzoeker] betaalt structureel niet. Het is niet wenselijk dat een BKR registratie wordt doorgehaald omdat er geen geld kan worden geleend. Dat de BKR registratie in dit geval al 20 jaar loopt is proportioneel. De vordering bestaat immers al meer dan 20 jaar en er wordt niet afbetaald. Zolang dat niet gebeurt blijft de BKR registratie bestaan en gaat de vijfjaarstermijn niet lopen. Tevens is er geen vereiste om iemand vóór het aangaan van een lening te waarschuwen voor de gevolgen van een BKR registratie. In de praktijk wordt een vooraankondiging gegeven als er niet op tijd wordt betaald. Dus pas na het aangaan van de lening.
4.7.
Het belang van Hoist weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [verzoeker] . Hierna wordt toegelicht waarom de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
4.8.
Er is sprake van een langdurige en nog steeds (op)lopende achterstand. Tussen het aangaan van de overeenkomst in 2005 en het vonnis van de kantonrechter in 2012 is er weliswaar een groot deel afbetaald (de hoofdsom in 2012 bedroeg € 5.742,36 en de lening is destijds aangegaan voor € 16.345,80), maar dit bedrag is momenteel weer opgelopen tot zo’n € 14.000,-. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij al lange tijd niet meer betaalt, omdat het bedrag niet zou kloppen en omdat deurwaarders ‘spelletjes spelen’. [verzoeker] heeft hierover verklaard dat hij de afgelopen jaren is geconfronteerd met 6 a 7 verschillende deurwaarders voor dezelfde schuld. Hoe frustrerend deze situatie wellicht ook is, betekent dit niet dat het gerechtvaardigd is om niet te betalen. De oplopende schuld en de structurele wanbetaling van [verzoeker] valt hem dan ook te verwijten.
4.9.
Verder weegt mee dat [verzoeker] geen goede redenen heeft gegeven waarom het van belang is dat de registratie wordt verwijderd. [verzoeker] heeft verklaard dat hij de verwijdering wil om onder andere te kunnen investeren in zijn bedrijf. Hij heeft niet verder toegelicht waarom dit noodzakelijk zou zijn. Geld lenen om de vordering van Hoist te betalen ligt ook niet voor de hand nu [verzoeker] juist heeft aangegeven dat hij deze niet betaalt, omdat het bedrag niet zou kloppen. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat [verzoeker] een nieuwe lening zou gebruiken om de oude lening te betalen. Nog daargelaten dat dit niets oplost omdat daarmee enkel het ene gat met het andere wordt gevuld. Daarnaast geldt dat de zorgplicht van een kredietverstrekker niet dusdanig ver gaat dat zij bij het aangaan van een overeenkomst moet waarschuwen voor een BKR registratie. Waar een dergelijke verplichting uit zou blijken is door [verzoeker] verder ook niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.10.
De conclusie van het voorgaande is dat de BKR registratie proportioneel is en nog steeds zijn doel dient, namelijk [verzoeker] beschermen tegen overkreditering en kredietverleners beschermen tegen niet-kredietwaardige kredietnemers.
Matigen rente
4.11.
[verzoeker] stelt dat de in rekening gebrachte vertragingsrente te hoog is, omdat de rentevordering zou zijn verjaard. De rechtbank is van oordeel dat voor dit laatste onderdeel geen plaats is in deze verzoekschriftprocedure. Dit onderdeel van het verzoek is een vordering, die met een dagvaarding moeten worden ingeleid. Los daarvan geldt bovendien dat deze verzoekschriftprocedure naar zijn aard begrensd is. De wetgever heeft voor geschillen over (verwijderings-)verzoeken op grond van de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG een specifieke procedure uitgewerkt in de UAVG. Die procedure komt erop neer dat een belanghebbende bij de verwerkingsverantwoordelijke een verzoek kan doen op grond van de artikelen 15 tot en met 22 AVG. De verwerkingsverantwoordelijke moet op zo’n verzoek schriftelijk beslissen, binnen de in artikel 12, derde lid van de AVG genoemde termijnen. Voor zover de belanghebbende het niet eens is met die beslissing en de beslissing niet door een bestuursorgaan is genomen, bepaalt artikel 35 lid 1 UAVG dat de belanghebbende zich tot de rechtbank kan wenden met het schriftelijk verzoek om de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 AVG alsnog toe of af te wijzen. Het derde lid van artikel 35 UAVG bepaalt dat de rechtbank het verzoek toewijst, voor zover zij dit gegrond oordeelt. De procedure op basis van artikel 35 UAVG is, gezien de tekst van de wet, dus beperkt tot het toe- of afwijzen van een verzoek op grond van de artikelen 15 tot en met 22 AVG. Ook daaruit volgt dat de artikel 35 UAVG procedure niet kan worden gebruikt om geschillen over rente te laten beslechten, ook al hangt het niet voldoen van de vordering (deels bestaand uit rente) en de registratie van de persoonsgegevens zeer nauw met elkaar samen. Voor dergelijke vorderingen is een dagvaardingsprocedure de aangewezen weg. [verzoeker] zal dan ook in het verzoek onder II. niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het verzoek tot verwijdering van de registratie wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van Hoist begroot op:
- griffierecht
87,00
- proceskosten
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
835,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder 3.1 onder II.,
5.2.
wijst het overige verzoek af,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 835,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.