ECLI:NL:RBAMS:2025:6819

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 september 2025
Publicatiedatum
16 september 2025
Zaaknummer
25/4400
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening exploitatievergunning horecabedrijf na buitenbehandelingstelling aanvraag

Op 15 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een voorlopige voorziening voor een horecabedrijf. Verzoekster, een restaurant, had een aanvraag ingediend voor de verlening van een exploitatievergunning, maar deze was door de burgemeester van Amsterdam buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van noodzakelijke gegevens. Verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening, omdat zij het niet eens was met de beslissing van de burgemeester. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, waarbij zij oordeelde dat het belang van de burgemeester om de openbare orde en veiligheid te waarborgen zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om het restaurant open te houden. De voorzieningenrechter benadrukte dat de aanvraag niet compleet was en dat er incidenten rondom het restaurant waren geweest die een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag vereisen. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was om een voorlopige voorziening te treffen, en dat de aanvraag van verzoekster buiten behandeling blijft. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de griffier, mr. W.L. van der Pijl, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4400

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigden: mr. U. Özcan en mr. D. Coskun),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.B.G. Keurentjes en mr. R. J. Alting).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het buitenbehandeling stellen van de door verzoekster aangevraagde verlening van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Op de [adres 1] is een restaurant met terras ([bedrijf]) gevestigd. Verzoekster heeft op 27 mei 2025 een aanvraag ingediend voor verlening van een exploitatievergunning.
2.2.
Met het besluit van 7 juli 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van gegevens. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigden van verweerder. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en aangegeven over 14 dagen uitspraak te zullen doen. De voorzieningenrechter heeft partijen meegegeven dat zij in de tussentijd in overleg kunnen treden met elkaar. Omdat partijen er niet onderling zijn uitgekomen doet de voorzieningenrechter uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Tussen partijen is niet in geschil dat er spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ziet ook geen beletsel om dit aan te nemen gelet op de door verzoekster gestelde belangen.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
3.1.
Op 21 januari 2025 is aan [bedrijf] en [bedrijf 1] een exploitatievergunning verleend. Op 28 januari 2025 is er tussen [bedrijf 2] (koper) en [bedrijf] (verkoper) een overeenkomst tot bedrijfsovername (hierna: de overeenkomst) getekend. Verzoekster heeft aangegeven dat voor ‘[bedrijf].’ gelezen moet worden ‘[bedrijf] en [bedrijf 1]’. Uit de overeenkomst volgt dat de koper meneer [naam 1], door middel van een op te richten vennootschap ([naam 2]) het restaurant aan de [adres 1] (hierna: het restaurant) wil overnemen voor een bedrag van 100.000 euro. Uit punt 4.2. van de overeenkomst volgt dat een koopsom van 50.0000 euro zal worden voldaan wanneer er een schriftelijk akkoord is van de zijde van de verhuurder. Uit de overeenkomst volgt ook dat de overige 50.000 euro zal worden voldaan als alle andere activa en de huurovereenkomst daadwerkelijk op naam van de koper staat. Uit punt 3.2. van de overeenkomst volgt dat de koper gerechtigd is om de overeenkomst eenzijdig te ontbinden in het geval het niet lukt om de lopende huurovereenkomst over te nemen, dan wel een nieuwe huurovereenkomst te sluiten met de verhuurder.
3.2.
Verzoekster heeft op 29 januari 2025 een bedrag van 50.00 euro en op 17 februari 2025 een bedrag van 50.000 euro overgemaakt aan [bedrijf 3], de enige aandeelhouder van [bedrijf] en [bedrijf 1].
3.3.
Op 26 maart 2025 heeft de douane een controle bij het restaurant uitgevoerd en de politie een summiere horecacontrole. Uit het de bestuurlijke rapportage kwam naar voren dat [naam 1] zich ter plaatste heeft gemeld als de nieuwe eigenaar. Verzoekster heeft op zitting verklaard dat [naam 1] op het moment van de controle werd gebeld door de buurman. Volgens verzoekster heeft [naam 1] zich toen gemeld als
toekomstigeeigenaar. De politie heeft [naam 1] toen gewaarschuwd dat er geen exploitatievergunning bestond voor het restaurant.
3.4.
Op 30 april 2025 is de huurovereenkomst tussen partijen getekend en op 1 mei 2025 is deze ingegaan. Vervolgens heeft verzoeker op 27 mei 2025 een aanvraag ingediend voor de verlening van een exploitatievergunning.
3.5.
Op 11 juni 2025 heeft er een explosie plaatsgevonden bij de achterzijde van het restaurant.
3.6.
Verweerder heeft verzoekster op 12 juni 2025 verzocht om aanvullende gegevens te overleggen in het kader van de aanvraag. Op 30 juni heeft verweerder verzoekster een tweede hersteltermijn geboden van vijf dagen.
3.7.
Op 7 juli 2025 is de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van gegevens. [1] Op 8 juli 2025 heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van het horecabedrijf binnen een week na verzending van het besluit omdat verzoekster niet tijdig de aanvraag tot overname gedaan, geen vergunning is verleend en verzoekster het restaurant zonder vergunning exploiteert.
3.8.
Op 28 juli 2025 heeft verzoekster opnieuw een aanvraag om een exploitatievergunning ingediend. Op deze aanvraag is nog niet beslist.
Het standpunt van verzoekster
4.1.
Verzoekster voert aan dat er sprake is van een menselijke fout. De aanvraag is namelijk slechts één dag te laat ingevuld en de gevolgen voor verzoekster zijn onevenredig groot. De gemachtigde van verzoekster, meneer Can, was ziek waardoor de verzoeken van verweerder om aanvullende informatie verzoekster pas later hebben bereikt. De gevolgen van deze ene dag zijn disproportioneel omdat het restaurant nu moet sluiten. Verzoekster voert aan dat verweerder normaliter coulanter omgaat met deze termijnoverschrijding. Er bestaat verder geen enkele aanleiding voor integriteitsrisico’s of vrees voor de openbare orde. Als het restaurant dicht moet zal dat leiden tot een financiële noodsituatie en zullen de mensen die er werken op straat komen te staan.
Het standpunt van verweerder
4.2.
Verweerder stelt dat verzoekster op dit moment een restaurant exploiteert zonder geldige vergunning. Verzoekster had op het moment van indiening van de onderhavige aanvraag het bedrijf al meer dan vier weken overgenomen. Volgens verweerder lijkt de exploitatie van het restaurant een gevaar voor de openbare orde en veiligheid op te leveren, aangezien zich meerdere incidenten hebben voorgedaan in en om het restaurant. Op 22 oktober 2024 vond een beschieting van meerdere panden op de [adres 2] plaats. Op 16 november 2024 vond een beschieting van een pand op de [adres 2] plaats. Op 4 januari 2025 een steekincident in [bedrijf]. Er is door het bedrijf geen melding gemaakt bij de hulpdiensten en niet alle beelden zijn aangeleverd voor het opsporingsonderzoek. Op woensdag 11 juni 2025 omstreeks 2.30 uur vond een melding bij de politie plaats van een explosie aan de [adres 3] in Amsterdam. Het betreft een opslagruimte aan de achterkant van restaurant [bedrijf], die vanuit het restaurant bereikbaar is. Verder wijst verweerder nog op de bevindingen tijdens de controle op 26 maart 2025.
4.3.
Ook het feit dat verzoekster stelt dat zij de aanvraag slechts één dag te laat hebben ingeleverd, is volgens verweerder onjuist. Verweerder heeft op zitting verklaard dat de aanvraag nog steeds niet compleet is. Ook de wijze waarop het aanvraagformulier (de Bibob aanvraag) is ingevuld, is onjuist. Verzoekster heeft bij het Bibob-formulier aangegeven dat er sprake is van overname van een bestaande onderneming terwijl in feite sprake is van een nieuwe aanvraag. Aangezien er bij een nieuwe aanvraag andere regels gelden dan bij de overname van een bestaande exploitatievergunning, mist verweerder belangrijke informatie om de aanvraag van verzoekster goed te kunnen behandelen.
4.4.
Als laatst stelt verweerder dat tijdens de meest recente controle van
28 augustus 2025 bij het restaurant bleek dat mogelijk sprake van een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. Vanwege alle bovenstaande misstanden en onduidelijkheden, is verweerder van mening dat het restaurant niet open kan blijven. Verweerder wil de exploitatie alleen toestaan als de veiligheid voor de omgeving weer is verzekerd.
De rechtmatigheid van het bestreden besluit
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster geen volledige aanvraag heeft ingeleverd en dat zij tot tweemaal aan toe de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag te complementeren. Volgens verweerder is er nog altijd geen complete aanvraag. Er ontbreken nog steeds stukken om de aanvraag te beoordelen. Dit betekent dat verweerder de aanvraag buiten behandeling kon stellen.
Belangenafweging
5.2.
De voorzieningenrechter zal vervolgens ingaan op de vraag of verzoekster in afwachting van de complementering van haar aanvraag en de beoordeling door verweerder van haar aanvraag het restaurant mag blijven exploiteren.
5.3.
De voorzieningenrechter realiseert zich dat het niet meer mogen exploiteren van het restaurant grote financiële gevolgen heeft voor verzoekster. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van verzoekster, gelet op de incidenten die rondom het restaurant hebben plaatsgevonden. Het merendeel van de incidenten dateren weliswaar van voor de overname door verzoekster, maar ook na de (door verzoekster aangehouden datum van) overname heeft er een incident plaatsgevonden. De voorzieningenrechter doelt op de explosie van
11 juni 2025. De voorzieningenrechter volgt verweerder in haar standpunt dat gezien de aanvraag zorgvuldig moet worden beoordeeld voordat tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Deze beoordeling heeft nog steeds niet kunnen plaatsvinden wegens het ontbreken van gegevens. De belangenafweging geen aanleiding geeft om een voorlopige voorziening te treffen. Zij wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de aanvraag van verzoeksters buiten behandeling blijft gesteld. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2025.
De griffier is buitenstaat om te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.