ECLI:NL:RBAMS:2025:6989
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering werknemer en toewijzing transitievergoeding na einde dienstverband
Werknemer was van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 in dienst bij werkgever op oproepbasis met een uurloon van €15,- bruto. Na beëindiging van het dienstverband vordert werknemer betaling van achterstallig loon over de periode juli 2024 tot februari 2025, gebaseerd op een gemiddeld aantal gewerkte uren in april, mei en juni 2024. Tevens wordt betaling van de transitievergoeding en incassokosten gevorderd.
De kantonrechter oordeelt dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW, waarop werknemer zich beroept, niet van toepassing is omdat de arbeidsovereenkomst duidelijke afspraken bevat over oproep en uren, en de uren steeds in overleg zijn vastgesteld. Bovendien is de door werknemer gekozen referteperiode niet representatief voor het gehele dienstverband. Werkgever heeft voldoende tegenbewijs geleverd dat het gemiddelde aantal gewerkte uren lager ligt dan door werknemer gesteld.
Daarom wordt de loonvordering afgewezen. Wel wordt de transitievergoeding toegewezen op basis van het werkelijk gewerkte aantal uren, zijnde €541,78 bruto. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €98,33 en wettelijke rente vanaf de datum van het verzoek toegewezen. Werkgever wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van een bruto/netto specificatie met een dwangsom bij niet-naleving.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen, maar de transitievergoeding en incassokosten worden toegewezen.