Huurders van een complex met 403 woningen vorderden een herziening van de servicekostenpost huismeester over de jaren 2021 en 2022. Zij betwistten de standaard 70/30 verdeling van de kosten, omdat een deel van de werkzaamheden volgens hen reguliere verhuurderswerkzaamheden betreft die niet via servicekosten aan hen mogen worden doorberekend.
De verhuurder, Bouwinvest, voerde verweer en stelde dat de kosten voldoende verantwoord waren en dat de 70/30 verdeling passend was. De kantonrechter oordeelde dat Bouwinvest inderdaad werkzaamheden aan huismeesters had opgedragen die niet tot het takenpakket van een huismeester behoren, zoals administratieve verhuurderswerkzaamheden.
Daarom werd 11,7% van de totale huismeesterkosten toegerekend aan deze verhuurderswerkzaamheden en volledig voor rekening van Bouwinvest gebracht. Het resterende deel van de kosten werd verdeeld volgens de gangbare 70% voor huurders en 30% voor verhuurder. De kosten per huurder werden vastgesteld op €271,20 voor 2021 en €278,58 voor 2022.
De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.