De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van mensenhandel door uitbuiting in de prostitutie van een slachtoffer in zijn woning in Amsterdam tussen juni en juli 2022.
Het Openbaar Ministerie stelde dat verdachte zijn woning ter beschikking stelde en wist dat het slachtoffer seksuele diensten verleende, waarbij de inkomsten deels aan een medeverdachte werden afgedragen. De verdediging betoogde dat er geen bewijs was voor het oogmerk van uitbuiting door verdachte.
Uit verklaringen van het slachtoffer bleek dat zij door de medeverdachte werd uitgebuit en mishandeld, maar dat verdachte haar alleen onderdak bood zonder seksuele diensten van haar te vragen of te profiteren van haar inkomsten. Het hof had de medeverdachte veroordeeld voor mensenhandel, maar niet voor medeplegen.
De rechtbank oordeelde dat het enkel bieden van onderdak onvoldoende is voor bewezenverklaring van mensenhandel en dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte wist van de uitbuiting of daar bewust aan meewerkte. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde mensenhandel.
De voorlopige hechtenis werd opgeheven en het vonnis werd uitgesproken op 29 januari 2025 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.