ECLI:NL:RBAMS:2025:7068

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
C/13/774288 / KG ZA 25-667
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de vordering tot continueren van de bankrelatie met Rabobank in kort geding

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 25 september 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen HB TRUCKS & EQUIPMENT B.V., [eiser 2], en [eiser 3] tegen COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. De eisers vorderden onder andere dat Rabobank zou worden verplicht de bancaire relatie met hen te continueren en de zakelijke rekeningen niet te beëindigen. Rabobank had eerder aangekondigd de klantrelaties met eisers per 1 oktober 2025 te beëindigen, na een cliëntenonderzoek dat had plaatsgevonden van maart 2024 tot maart 2025. De rechtbank oordeelde dat Rabobank terecht had besloten de bankrelatie te beëindigen, gezien de risico's die verbonden waren aan de bedrijfsvoering van HB en de tekortkomingen in het cliëntenonderzoek. De voorzieningenrechter weigerde de gevraagde voorzieningen en veroordeelde eisers in de proceskosten, die op € 1.999,00 werden begroot. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van banken onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de contractuele bevoegdheid van banken om klantrelaties te beëindigen indien er onvoldoende vertrouwen is.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/774288 / KG ZA 25-667 MK/MV
Vonnis in kort geding van 25 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
HB TRUCKS & EQUIPMENT B.V.,
gevestigd te Roelofarendsveen,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiser 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 21 augustus 2025,
hierna ook te noemen: HB, [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaat: mr. J.C.A. van Tol te Roelofarendsveen,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigde te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. R.M. Vermaire te Utrecht.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 11 september 2025 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en (deels vooraf) een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eisers [naam 1] en [naam 2] met mr. Van Tol;
aan de zijde van Rabobank [naam 3] en [naam 4] met mr. Vermaire en zijn kantoorgenoot mr. R.E. de Groot.
Na verder debat is vonnis bepaald op 25 september 2025.

2.De feiten

2.1.
HB handelt wereldwijd in grondverzetmachines voor de wegenbouw. [eiser 2] en [eiser 3] zijn de bestuurders van HB. HB is klant bij Rabobank; zij beschikt over diverse zakelijke rekeningen en kredieten. Ook de bestuurders van HB bankieren bij Rabobank.
2.2.
Bij brief van 8 juli 2025 heeft Rabobank aan eisers bericht dat in de periode van 20 maart 2024 tot en met 20 maart 2025 een cliëntenonderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij een (her)beoordeling heeft gedaan van voorgaande contactmomenten die vanaf 2019 hebben plaatsgevonden. Op basis hiervan achtte Rabobank het noodzakelijk om de klantrelatie te heroverwegen. In verband met een voorgenomen beëindiging van de klantrelatie is het dossier overgedragen aan de afdeling Offboarding van Rabobank, dit alles aldus de brief van 8 juli 2025.
2.3.
Bij brieven van 30 juli 2025 heeft Rabobank eisers bericht dat de klantrelaties met hen per 1 oktober 2025 worden stopgezet, met registratie in het Intern Verwijzingsregister vanaf 29 juli 2025 voor 8 jaar.
2.4.
Daartegen is bij brief van 31 juli 2025 van Brancheorganisatie Trucks&Trailers Nederland, waarvan HB lid is, is bezwaar gemaakt .
2.5.
Bij brief van 15 augustus 2025 heeft Rabobank het bezwaar afgewezen en de beëindiging van de klantrelaties bevestigd.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Rabobank te gebieden de bancaire relatie met eisers te continueren en de zakelijke rekeningen niet te beëindigen totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist;
2. Rabobank opdracht te geven de particuliere rekeningen van de bestuurders en betrokkenen te handhaven, althans niet te beëindigen zonder strafrechtelijke verdenking of rechterlijke uitspraak;
3. Rabobank te gebieden de registratie in het Intern Verwijzingsregister (IVR) ongedaan te maken en verwijderd te houden;
4. Rabobank te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij in strijd handelt met dit vonnis;
5. Rabobank te veroordelen in de kosten van dit geding inclusief de nakosten.
3.2.
HB legt aan de vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Tot en met juli 2025 is nooit concreet onderbouwd waarom het cliëntenonderzoek te kort zou schieten. Pas in de brief van 15 augustus 2025 (zie 2.5) staat voor het eerst een opsomming van vermeende tekortkomingen. Rabobank leeft de brancheafspraken (de NVB Sector Standaard Automotive) niet na en weigert hierover opheldering te geven. Dit levert willekeur op en een gebrek aan transparant handelen. De economische schade van de beëindiging is aanzienlijk. Zonder bankrekeningen kan HB geen (internationale) handel meer drijven en kan zij geen personeel meer betalen of andere verplichtingen nakomen. De beëindiging is disproportioneel en een belangenafweging moet in het voordeel van eisers uitvallen. Zij onderhouden al meer dan 50 jaar een bancaire relatie met Rabobank, zowel zakelijk als privé.
3.3.
Rabobank heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In de kop van de dagvaarding staat bij eiseres sub 3: “
de besloten vennootschap [eiser 3] B.V. (in combinatie met [bedrijf] B.V.)
De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling geoordeeld, in navolging van hetgeen Rabobank hierover heeft aangevoerd, dat [bedrijf] B.V. in dit kort geding niet als eisende partij optreedt omdat zij niet expliciet als zodanig in de dagvaarding is opgenomen.
4.2.
Bij de beoordeling van dit geschil gelden de volgende algemene uitgangspunten:
(1) Op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) heeft een bank de contractuele bevoegdheid om de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd.
(2) De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (zie artikel 6:248 lid 2 BW en HR 10 oktober 2014 [1] ).
(3) Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (artikel 2 ABV), waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.
(4) Banken hebben op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
(5) Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV).
4.3.
Rabobank heeft de klantenrelaties met eisers beëindigd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft jo artikel 35 ABV. Rabobank heeft terecht aangevoerd dat de dagvaarding en de (vooraf ontvangen) pleitnota van eisers veel relevante feiten onbesproken laat. De advocaat van eisers heeft hierover verklaard dat hij ten tijde van het opstellen van de dagvaarding niet beschikte over alle stukken. De brief van 8 juli 2025 (zie 2.2), die een uitgebreide opsomming geeft van transacties en contante geldstromen waar volgens Rabobank de nodige vraagtekens bij moeten worden gezet, hebben eisers niet genoemd in hun dagvaarding en zij hebben deze brief evenmin in het geding gebracht. Hiermee hebben zij nagelaten een volledig beeld te schetsen van de redenen waarom Rabobank tot haar beslissing is gekomen.
4.4.
Uit de brief van 8 juli 2025, uit de conclusie van antwoord en uit hetgeen Rabobank op de mondelinge behandeling van dit kort geding naar voren heeft gebracht blijkt – samengevat weergegeven – het volgende. Reeds in 2019 is Rabobank een cliëntenonderzoek gestart naar HB. Vanaf 2019 tot op heden heeft Rabobank tal van informatieverzoeken gedaan naar aanleiding van specifieke transacties. Een daarvan betrof een
deal(gedeeltelijk contant) met de Nigeriaanse overheid, een hoog risicoland omdat dit land door De Nederlandsche Bank en de Europese Unie in verband wordt gebracht met witwassen, corruptie en terrorismefinanciering. Ook heeft Rabobank navraag gedaan naar een groot aantal contante stortingen waarvan de herkomst onduidelijk was. Die stortingen zijn gedaan in coupures van € 200 en € 500 (die veelal worden gebruikt in het criminele circuit). Het totaal van de contante stortingen bedraagt € 11,8 miljoen over de laatste zeven jaar. Daarnaast is navraag gedaan naar wie de
ubo’szijn van partijen waarmee zaken worden gedaan en naar versluierde betalingen (dit zijn transacties met derden, niet zijnde afnemers of leveranciers). Rabobank heeft aan betalingen aan en door derden voorwaarden gesteld maar daar heeft HB niet aan voldaan. De antwoorden die Rabobank van HB kreeg op haar verschillende informatieverzoeken waren summier en riepen nieuwe vragen op, onder meer over de grote hoeveelheid contante betalingen. HB heeft op enig moment wel een ’Stappenplan klantenonderzoek’ opgesteld over hoe om te gaan met nieuw klanten, maar tot verbazing van Rabobank kreeg zij in maart 2025 het bericht dat HB dit stappenplan helemaal niet in gebruik had genomen en dat HB al die tijd geen cliëntenonderzoek had verricht terwijl haar toenmalige advocaat had bevestigd dat HB dit wel zou doen. Rabobank concludeert aldus dat HB onvoldoende maatregelen heeft genomen om risico’s met betrekking tot de internationale handel en het betalingsverkeer te beperken. Ondanks herhaalde waarschuwingen is er op de drie door Rabobank genoemde hoofdthema’s (het ontbreken van klantenonderzoek, de niet transparante betalingen door derde partijen en het ontbreken van inzicht in de herkomst van contante betalingen) geen gedragsverandering zichtbaar. Hierdoor ontbreekt het noodzakelijke vertrouwen voor voortzetting van de klantrelatie, aldus Rabobank.
4.5.
Eisers zijn onvoldoende concreet ingegaan op de door Rabobank gemaakte verwijten en hebben hiertegen onvoldoende verweer gevoerd. Namens HB is verklaard dat zij op deze manier gedwongen wordt haar businessmodel aan te passen (meer nadruk op Europa en minder op Afrika) omdat het bankensysteem in Afrika anders werkt, omdat daar vaak niet staat geregistreerd wie de eigenaar is van een partij waarmee zaken worden gedaan en HB simpelweg bepaalde door Rabobank gevraagde documenten niet kan aanleveren. HB heeft aangedrongen op minnelijk overleg met Rabobank. Dit alles betekent dat een afweging van belangen moet leiden tot toewijzing van de vorderingen, aldus HB.
4.6.
Omdat eisers onvoldoende concreet zijn ingegaan op de gemaakte verwijten gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat hetgeen Rabobank heeft aangevoerd juist is, wat voldoende is om tot een beëindiging van de bankrelaties te komen. Over de afweging van belangen overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Het belang van HB is onmiskenbaar groot. Deelname aan het bancaire verkeer is essentieel voor haar bedrijfsvoering, terwijl zij zich (naar eigen zeggen) niet schuldig maakt aan witwassen of terrorismefinanciering. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van Rabobank zwaarder wegen. Zij beschikt over voldoende aanwijzingen dat de bedrijfsvoering van HB ernstige risico’s kent en dat de Wwft in dit geval voorschrijft dat de bankrelaties worden beëindigd. Rabobank is hierbij bovendien niet over één nacht ijs gegaan. Het cliëntenonderzoek heeft ongeveer zes jaar geduurd en in die periode heeft Rabobank aan HB verschillende mogelijkheden geboden om haar bedrijfsvoering aan te passen. Voorshands is de noodzaak dit ook daadwerkelijk te doen niet voldoende tot HB doorgedrongen. Dit leidt dus tot afwijzing van alle vorderingen, ook jegens de bestuurders. Ook ten aanzien van hen geldt dat het vertrouwen is geschonden. Overigens geldt ten aanzien van [eiser 2] dat hij als particulier recht blijft houden op een basisbankrekening als blijkt dat hij nergens anders een bankrekening kan openen. Voor het minnelijk overleg met Rabobank waar HB ook tijdens de mondeling behandeling op aanstuurede ontbreekt bij Rabobank het vertrouwen, wat betekent dat dit een gepasseerd station is.
4.7.
De conclusie tot zover is dat de vorderingen die zijn gericht op behoud van de bankrelaties niet worden toegewezen. Registratie in het IVR is dan gerechtvaardigd, zodat ook de vordering die erop ziet die registratie te verwijderen niet zal worden toegewezen.
4.8.
HB, [eiser 2] en [eiser 3] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt HB, [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als HB niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt HB, [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 92,00 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.
Coll: MAH