De Rechtbank Amsterdam behandelde op 24 september 2025 het verzoek tot overlevering van een Turkse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen. De verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, oplichting en bendevorming.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de verdenkingen en dat de feiten die onder het EAB vielen, grotendeels lijstfeiten waren waarvoor geen toetsing van dubbele strafbaarheid vereist was. Voor het feit bendevorming, waarvoor het strafmaximum in België minder dan drie jaar bedroeg, vond wel een toetsing plaats en werd vastgesteld dat het feit ook in Nederland strafbaar is.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte sinds zijn geboorte rechtmatig en onafgebroken in Nederland verblijft en dat hij gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De Belgische autoriteiten gaven een garantie dat de opgeëiste persoon, indien veroordeeld, zijn straf in Nederland mag ondergaan.
Hoewel er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke detentieomstandigheden in België, gaf België een individuele garantie dat de verdachte in een detentie-instelling zal worden geplaatst die voldoet aan internationale standaarden, waaronder voldoende leefruimte en toegang tot gezondheidszorg. De rechtbank verwierp het verweer dat aanvullende psychische zorg niet gegarandeerd zou zijn, omdat hiervoor geen objectieve gegevens waren aangeleverd.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.