ECLI:NL:RBAMS:2025:7201

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
C/13/770805 / FA RK 25-4446
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • K. Duker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en vaststelling videobelcontacten tussen vader en kind

De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en het gezag aan haar toe te kennen, vanwege het niet nakomen van de zorgregeling door de vader en het ontbreken van contact sinds november 2023.

De rechtbank nam kennis van de feiten, waaronder de echtscheiding en eerdere zorgregelingen, en hield een mondelinge behandeling waarbij ook het kind zijn mening kon geven. De vader gaf aan het contact te missen maar moeite te hebben dit te onderhouden vanwege zijn werk en de houding van de moeder.

De rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan het criterium voor beëindiging van het gezamenlijk gezag, omdat de vader geen toestemming had geweigerd voor belangrijke opvoedbeslissingen en er onvoldoende reden was het gezag te wijzigen.

Wel werd vastgesteld dat het fysieke contact tussen vader en kind niet was nageleefd, maar partijen spraken een regeling af voor videobelcontacten op vrijdag en zondagavond, waarbij de vader het contact legt en de moeder niet op de achtergrond aanwezig mag zijn.

De rechtbank benadrukte het belang van contact met beide ouders voor de ontwikkeling van het kind en moedigde partijen aan hun spanningen op te lossen en eventueel mediation te overwegen.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag wordt afgewezen en een regeling voor videobelcontacten tussen vader en kind wordt vastgesteld.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, team familie en jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/770805 / FA RK 25-4446 (KD/SM)
Beschikking van 30 september 2025 betreffende wijziging van het gezag
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. S.L. Prass te Amsterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vader.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder;
- het verzoekschrift van de moeder, binnengekomen op 11 juni 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van de moeder van 14 juli 2025;
- de brief van de moeder van 5 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op
16 september 2025. Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader.
1.3.
De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 15 september 2025 met de kinderrechter gesproken.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd op 30 november 2015 te [woonplaats 2] . Hun huwelijk is op 26 augustus 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank op 9 augustus 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk is geboren:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.
2.5.
Op 9 augustus 2024 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwaarden, bij beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder andere een zorgregeling vastgesteld, waarin is opgenomen dat de moeder [minderjarige] op vrijdag na school om 15.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zaterdag om 20.00 uur terugbrengt naar de moeder. De moeder is tegen deze uitspraak in beroep gegaan.
2.6.
Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2025 is vervolgens de voornoemde beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover deze beschikking aan het oordeel van het gerechtshof was onderworpen en in zoverre opnieuw uitvoerbaar bij voorraad beschikkende dat de vader [minderjarige] op vrijdag om 18.00 uur ophaalt bij de moeder in [woonplaats 1] en dat de moeder [minderjarige] op zaterdag om 19.00 uur ophaalt bij de vader in [woonplaats 2] .
Tijdens de mondelinge behandeling van de procedure in hoger beroep hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] per direct en tot aan de beschikking van het gerechtshof elke vrijdagavond om 19.30 uur en elke zondag om 13.00 uur de vader belt met beeld, zodat zij elkaar in ieder geval weer zien en contact met elkaar hebben.

3.Het verzoek

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag van haar en de vader ex artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) te beëindigen en te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt.

4.De standpunten

4.1.
De moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de vader, ondanks de eerder gevoerde procedures, de zorgregeling met [minderjarige] niet nakomt. [minderjarige] heeft zijn vader daardoor al sinds november 2023 niet meer gezien. De moeder stelt haar best te doen om het contact tussen de vader en [minderjarige] te bewerkstelligen maar de vader houdt het contact af. [minderjarige] heeft zelf ook meerdere pogingen gedaan om contact te maken, maar dit heeft ook niet geleid tot resultaat. [minderjarige] heeft moeite op school door zijn dyslexie, gedragsproblemen en ADHD. Momenteel wordt er ook gekeken of speciaal onderwijs passender is voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande heeft [minderjarige] professionele hulp nodig. Hij praat sinds kort één keer per week met een psycholoog over zijn trauma's naar aanleiding van de heftige ruzies tussen ouders waar [minderjarige] getuige van is geweest en over het feit dat hij het heel erg moeilijk vindt dat hij geen contact meer heeft met zijn vader. De moeder merkt dat [minderjarige] veel baat heeft bij deze gesprekken. Naast het feit dat [minderjarige] zijn vader vanaf november 2023 niet meer heeft gezien, stelt de moeder er tegenaan te lopen dat de vader haar bij belangrijke opvoedbeslissingen tegenwerkt door geen toestemming te geven. Dit is volgens haar eerder gebeurd toen zij de vader goedkeuring vroeg voor de therapie voor [minderjarige] . Het ligt volgens haar in de lijn der verwachting dat er op korte termijn meerdere belangrijke opvoedbeslissingen genomen moeten worden voor [minderjarige] waarbij zij verwacht dat de vader daar zijn toestemming niet voor zal geven.
De moeder stelt dat [minderjarige] door de inmiddels ontstane situatie klem dreigt te raken tussen zijn ouders en volgens haar is niet te verwachten dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren, gezien de houding van de vader. Daarnaast stelt zij dat een wijziging van het gezag ook om andere redenen in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder opgemerkt dat zij nog altijd open staat voor het herstellen van het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] verlangt er volgens haar naar om zijn vader weer te zien en wil heel graag contact met hem. [minderjarige] is in het verleden wel erg boos en verdrietig geweest toen de man geplande contactmomenten heeft afgezegd. Zij staat er ook voor open om de videobelcontacten tussen [minderjarige] en zijn vader op korte termijn weer op te starten.
De moeder heeft verder tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij open staat voor mediation met de vader.
4.2.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling laten blijken dat hij geen vertrouwen heeft in hetgeen de moeder zegt. Hij is van mening dat de moeder tegen hem liegt en hem niet serieus neemt. De vader heeft uitgesproken en laten zien dat hij het contact met [minderjarige] mist, maar hij niet goed weet hoe hij dit contact moet opstarten en onderhouden gelet op het feit dat hij in nachtdiensten werkt voor 60 à 70 uur in de week en moeder niet bereid is [minderjarige] op vrijdagmiddag naar hem toe te brengen. De man is daarnaast bang dat de contacten zullen zorgen voor spanningen bij [minderjarige] . De man merkt op dat hij in de afgelopen periode bewust een stap terug heeft gedaan ten aanzien van het contact omdat hij het belangrijk vindt dat het goed gaat met [minderjarige] op school.
De man heeft in de afgelopen periode een aantal keer ervaren dat de vrouw op de achtergrond aanwezig blijft tijdens de belcontacten die hij met [minderjarige] heeft gehad en ook ging de vrouw op de zaterdagen dat zij [minderjarige] bij hem kwam ophalen voor het ophaalmoment op bezoek bij zijn buurvrouw. Hierdoor heeft de man het gevoel gehad dat de vrouw hem controleert en kon hij geen vrij contact hebben met [minderjarige] . De man heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten twee keer per week op zowel vrijdag als zondag om 20.00 uur weer videobelcontact te willen hebben met [minderjarige] .
De man heeft verder opgemerkt dat hij de vrouw altijd zijn toestemming zal geven ten aanzien van de belangrijke beslissingen in het leven [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun kind. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij de beslissingen die de vrouw wenst te nemen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet zal tegenwerken. Daarbij heeft de vrouw niet of nauwelijks voorbeelden kunnen geven van beslissingen die zij heeft moeten nemen waarbij de man zijn toestemming niet heeft gegeven. Op dat punt is daarom niet voldaan aan het criterium van 1:251a lid 1 BW en ook anderszins is niet gebleken dat het in het belang van [minderjarige] is om het gezag bij vader weg te nemen. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank thans onvoldoende reden is om het gezag van de man over [minderjarige] te beëindigen. Dit verzoek van de vrouw zal de rechtbank dan ook afwijzen.
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] en zijn vader reeds lange tijd geen (fysiek) contact meer hebben gehad en de door het gerechtshof vastgestelde zorgregeling niet is nageleefd. Ook is gebleken dat zowel [minderjarige] als de vader dit contact missen. Het lukt partijen op dit moment niet om de eerder vastgestelde zorgregeling op te pakken, wat voor zowel [minderjarige] als vader erg verdrietig is. Wel is het partijen tijdens de mondelinge behandeling gelukt een afspraak te maken over de wekelijkse beeldbelcontacten tussen [minderjarige] en zijn vader. Partijen hebben afgesproken dat de vader en [minderjarige] elke vrijdag en zondag om 20.00 uur zullen beeldbellen, waarbij de vader het contact zal leggen. De rechtbank zal dit dan ook vastleggen in het dictum van deze beschikking.
Tevens zal de rechtbank hierbij vaststellen dat de vader, indien hij niet in de gelegenheid is om op de afgesproken dagen en tijden te (beeld)bellen met [minderjarige] , dit zo spoedig mogelijk – maar minimaal één uur van te voren – laat weten aan [minderjarige] door het sturen van een WhatsApp (spraak)bericht. Tevens dient de man hierbij aan [minderjarige] te laten weten wanneer het hem wel uitkomt om alsnog met [minderjarige] te (beeld)bellen. Op die manier wordt [minderjarige] zo min mogelijk teleurgesteld. Ook zal de rechtbank hierbij bepalen dat noch moeder, noch iemand anders, tijdens deze (beeld)belcontacten op de achtergrond aanwezig mag zijn.
5.5.
De rechtbank acht het belangrijk om op te merken dat het van groot belang is dat de afgesproken (beeld)belcontacten tussen [minderjarige] en zijn vader structureel worden uitgevoerd. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk dat hij door zijn ouders in staat wordt gesteld onbelemmerd contact te hebben met hen allebei. [minderjarige] moet zich namelijk een zelfstandig beeld kunnen vormen van zijn beide ouders. Hij heeft zijn genetische basis immers voor 50% van zijn moeder en voor 50% van zijn vader gekregen. Indien [minderjarige] zich, door de onderlinge spanningen tussen zijn ouders, genoodzaakt voelt om één van zijn ouders af te wijzen c.q. een kant te kiezen, wijst hij daarmee niet alleen de andere ouder af maar onbewust ook een deel van zichzelf. Dit maakt dat hij in een identiteitsconflict kan geraken, wat grote gevolgen kan hebben voor zijn eigenwaarde en zelfbeeld. Om dit te voorkomen is het dan ook van belang dat partijen in de komende periode alles in het werk stellen om hun onderlinge spanningen op te lossen. Partijen zullen hierbij ook bereid moeten zijn om naar hun eigen aandeel in de huidige situatie te kijken en hiermee, zo nodig met hulpverlening, zelf aan de slag te gaan. De rechtbank hoopt dat partijen zodoende op termijn weer in staat zullen zijn om met elkaar te communiceren over de belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] , zij beide een volwaardig ouder kunnen zijn voor [minderjarige] en dat de fysieke contactregeling tussen [minderjarige] en zijn vader weer kan worden opgepakt.
Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het partijen uiteraard vrij staat om in de toekomst in overleg de eerder door het gerechtshof vastgestelde zorgregeling aan te passen, indien dit het opstarten van het fysieke contact tussen de [minderjarige] en zijn vader makkelijker maakt.
5.6.
Mitsdien zal worden beslist als volgt.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat de vader en [minderjarige] elke vrijdag en zondag om 20.00 uur via beeldbellen contact met elkaar hebben, waarbij;
- de vader het contact zal leggen met [minderjarige] ;
- de moeder (of iemand anders) niet op de achtergrond aanwezig is;
- de vader, indien hij niet in de gelegenheid is om op de afgesproken dagen en tijden te (beeld)bellen met [minderjarige] , dit zo spoedig mogelijk – maar minimaal één uur van te voren – aan [minderjarige] laat weten door het sturen van een WhatsApp (spraak)bericht, waarbij hij [minderjarige] tevens laat weten wanneer het hem wel uitkomt om met [minderjarige] te (beeld)bellen;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. K. Duker, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 30 september 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).