Holland Integrity Group B.V. kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het in dienst hebben van een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De minister besloot tevens de inspectiegegevens en de boete openbaar te maken op de website van de arbeidsinspectie. Eiseres betwistte in beroep niet de boete zelf, maar de verplichte openbaarmaking van de gegevens.
De rechtbank oordeelde dat artikel 19g, eerste lid, van de Wav een dwingendrechtelijke bepaling is die geen individuele belangenafweging vereist voorafgaand aan openbaarmaking. De wetgever heeft bewust gekozen voor volledige transparantie, ook als dit leidt tot reputatieschade voor het betrokken bedrijf. De vrees van eiseres voor negatieve publiciteit en concurrentieverlies vormt geen bijzondere omstandigheid om de openbaarmaking te voorkomen.
Voorts stelde eiseres dat de openbaarmaking in strijd zou zijn met het EVRM en het IVBPR, en dat de gegevens concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie bevatten. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat de openbaar te maken gegevens niet als concurrentiegevoelig kunnen worden aangemerkt en dat de internationale verdragsbepalingen niet leiden tot het buiten toepassing laten van artikel 19g Wav.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht tot openbaarmaking kon overgaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.