ECLI:NL:RBAMS:2025:7325

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
10282450 \ CV EXPL 23-803
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 onder f BWArt. 6:230l BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering geldlening werkgever aan werknemer wegens naleving informatieplichten

De zaak betreft een geldleningsovereenkomst tussen werkgever Trovium BV en werknemer, waarbij de werknemer niet is verschenen. De rechtbank oordeelt dat de geldlening valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro f BW, omdat het een krediet betreft dat als nevenactiviteit door de werkgever aan de werknemer wordt verstrekt tegen een rente die lager is dan gebruikelijk op de markt.

De rechtbank toetst ambtshalve de naleving van de informatieplichten ex artikel 6:230l BW en concludeert dat Trovium aan deze plichten heeft voldaan, aangezien alle essentiële informatie in de overeenkomst is opgenomen en door de werknemer kon worden ingezien. Het prijsbeding is transparant en begrijpelijk, waardoor toetsing op oneerlijkheid niet aan de orde is.

De vordering tot betaling van de hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen. De werknemer wordt veroordeeld tot betaling van het totale bedrag van €5.565,09 plus rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Vordering geldlening werkgever aan werknemer toegewezen met betaling van hoofdsom, rente, buitengerechtelijke en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10282450 \ CV EXPL 23-803
Vonnis van 2 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TROVIUM BV,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Trovium,
gemachtigde: CW en Partners B.V.,
tegen
[gedaagde],
wondende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 juni 2024,
- het herstelexploot van Trovium.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Trovium heeft het gebrek in de dagvaarding dat met nietigheid wordt bedreigd bij exploot hersteld.
2.2.
Naar aanleiding van de overweging in voornoemd tussenvonnis over ambtshalve toetsing heeft eisende partij in het herstelexploot te kennen gegeven dat [gedaagde] van zijn werkgever (Trovium) geld heeft geleend. Een geldlening tussen werkgever en werknemer valt buiten de vergunningsplicht en ook buiten het toezicht van de AFM. Trovium is geen commerciële financiële instelling. Zij is actief in projectrealisatie. Over de voorwaarden van de geldlening is de overeenkomst duidelijk. Algemene voorwaarden zijn niet van toepassing verklaard. Die zijn er ook niet, aldus – steeds – Trovium.
2.3.
Aan de hand van de nadere toelichting van Trovium wordt geoordeeld dat sprake is van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro f van het Burgerlijk Wetboek (BW):
‘kredietovereenkomsten waarbij het krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt, aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het publiek in het algemeen worden aangeboden’. Weliswaar is de geldlening van Trovium aan [gedaagde] niet rentevrij, maar de overeengekomen rente is wel lager dan destijds gebruikelijk was op de markt, zodat de uitzondering alsnog opgaat. Gevolg hiervan is dat Titel 2A van Boek 7 BW in dit geval toepassing mist.
2.4.
Dat neemt niet weg dat sprake is van een overeenkomst waarop de informatieplichten van Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW van toepassing zijn. De naleving van deze informatieplichten moet ambtshalve worden getoetst. Nu de overeenkomst door beide partijen is ondertekend in Almere, de vestigingsplaats van Trovium, zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Nu alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel in de geldleningsovereenkomst is opgenomen, die [gedaagde] heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen, gaat de kantonrechter er vanuit dat Trovium aan haar informatieplichten heeft voldaan.
2.5.
Het prijsbeding in de geldleningsovereenkomst is duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. De economische gevolgen van de overeenkomst kunnen door [gedaagde] worden ingeschat. Dat maakt dat toetsing van het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) niet aan de orde is. In de geldleningsovereenkomst, waarop geen afzonderlijke set algemene voorwaarden van toepassing is verklaard, staan verder geen bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.6.
Nu de vordering overigens is gebaseerd op de wet, terwijl aan alle wettelijke vereisten zijn voldaan, komt deze niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen.
2.7.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
5.033,34
+
- rente
531,75
totaal
5.565,09
2.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Trovium worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,22
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.027,72

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Trovium te betalen een bedrag van € 5.565,09, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar over een bedrag van € 5.033,34, met ingang van 28 november 2022, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Trovium te betalen een bedrag van € 626,67 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.027,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.
991