Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
[gedaagde]om
€58.638(€165.821 minus €107.183), zie productie 44. Volgens
[eiser]gaat het om
€58.629(€165.812 minus €107.183), zie productie 35. Het verschil van € 9 laat zich vermoedelijk verklaren door afrondingverschillen per jaar; de rechtbank gaat uit van het laagste bedrag (als erkend door [eiser] ). Na het tussenvonnis heeft [eiser] nog €33.687 aan [gedaagde] voldaan. De rechtbank zal [eiser] daarom veroordelen om
€24.942(€58.629 minus €33.687) te betalen aan [gedaagde] .
aangifteinkomstenbelasting aan [eiser] zal overleggen zodat de hoogte van de vermogensrendementsheffing kan worden bepaald (zie 2.3 van het tussenvonnis). De ratio van de rentevergoeding is dat [eiser] (een deel van) de vermogensrendementsheffing die [gedaagde] aan de Belastingdienst verschuldigd is aan [gedaagde] vergoedt. Daarbij past dat [eiser] zijn aandeel in de vermogensrendementsheffing aan [gedaagde] betaalt op het moment dat [gedaagde] deze moet afdragen aan de Belastingdienst. Aldus zal worden beslist. Daarbij geldt, anders dan [eiser] bepleit, dat zijn betalingsverplichting niet pas ontstaat bij de
definitieveaanslag. Dit kan enkele jaren duren – volgens [gedaagde] is over 2023 en later nog geen definitieve aanslag beschikbaar – wat zou betekenen dat [gedaagde] op basis van een of meer voorlopige aanslag(en) al wel betaald heeft aan de Belastingdienst, maar [eiser] nog niet heeft bijgedragen. Beslist wordt dan ook dat het betaalmoment gelijk is aan de betalingsverplichting van [gedaagde] jegens de Belastingdienst op grond van een voorlopige of definitieve aanslag. Overigens geldt dat als een voorlopige of definitieve aanslag leidt tot een teruggave, [gedaagde] gehouden is het voor [eiser] bestemde deel aan hem terug te betalen, ook weer op het moment dat zij de gelden ontvangt van de Belastingdienst (of deze aan haar ten goede komen).