AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar parkeerheffing gegrond verklaard
Eiser had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank had op 20 december 2024 dit beroep gegrond verklaard en zonder zitting uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in.
De verzetrechter beoordeelde of de rechtbank terecht buiten zitting had geoordeeld dat het beroep gegrond was. Opposant voerde aan dat de werking van een eerdere uitspraak van 14 juni 2024 was opgeschort door het ingestelde hoger beroep, waardoor de uitspraak van 20 december 2024 niet had mogen worden gedaan.
De rechtbank stelde vast dat het hoger beroep inderdaad de werking van de uitspraak van 14 juni 2024 opschortte, waardoor de uitspraak van 20 december 2024 ten onrechte was gedaan. Het verzet werd daarom gegrond verklaard, de eerdere buiten-zittinguitspraak verviel en het onderzoek wordt hervat. Er zijn geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd, waarna de procedure wordt voortgezet.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4988 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
( [gemachtigde eiser] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, opposant.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak door opposant (verweerder in de beroepszaak) op een bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. [1]
In de uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard omdat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. [2] Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat opposant geen verweer heeft gevoerd, zodat de rechtbank uit is gegaan van wat eiser heeft aangevoerd.
2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is.
Reden van verzet
3. Opposant heeft hoger beroep bij het gerechtshof ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank die aan de onderhavige beroepzaak is voorafgegaan. [3] Opposant heeft in het verzetschrift onder verwijzing naar de Awb aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op
20 december 2024 uitspraak heeft gedaan, omdat de werking van de uitspraak van 14 juni 2024 door het ingestelde hoger beroep is opgeschort. [4]
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
4.1
De verzetrechter stelt ten aanzien van AMS 23/7075 het volgende vast.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 17 november 2023 over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. [5] De bestuursrechter van de rechtbank heeft uitspraak gedaan op dat beroep. [6] Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiser op 1 augustus 2024 hoger beroep bij het gerechtshof ingesteld. [7] Eiser heeft verweerder met een brief van 12 augustus 2024 in gebreke gesteld. [8] Het gerechtshof heeft de rechtbank op 11 oktober 2024 over het ingestelde hoger beroep bericht. Het gerechtshof heeft op 22 april 2025 uitspraak gedaan op het hoger beroep. [9]
4.2
De verzetrechter stelt ten aanzien van de onderhavige zaak het volgende vast.
Eiser heeft met een brief van 29 augustus 2024, ter griffie ontvangen op 30 augustus 2024, beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een besluit. [10] Eiser heeft gewezen op de in de uitspraak van deze rechtbank van 14 juni 2024 vermelde beslistermijn van zes weken. [11] De bestuursrechter heeft op 20 december 2024 uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gedaan.
4.3
Ten tijde van de uitspraak van 20 december 2024 was de bestuursrechter op de hoogte van het hoger beroep. Hoewel eiser bij het instellen van het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit heeft verzuimd mee te delen dat hij hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van 14 juni 2024 in AMS 23/7075, was de bestuursrechter door de berichtgeving op 11 oktober 2024 van het gerechtshof bekend met het hoger beroep.
Is terecht verzet ingesteld?
5.1
De verzetrechter zal het verzet gegrond verklaren. De reden hiervoor is het volgende.
5.2
In de Awb staat dat de werking van een uitspraak wordt opgeschort wanneer het gaat om een uitspraak waartegen hoger beroep bij het gerechtshof kan worden ingesteld. [12] In de toelichting op dat artikel wordt verwezen naar de Bevoegdheidsregeling. [13] In de Bevoegdheidsregeling staat dat tegen besluiten die genomen zijn op grond van artikel 26 vanPro de Wet inzake rijksbelastingen (Awir) hoger beroep bij het gerechtshof kan worden ingesteld. Het eerste lid van dit artikel heeft betrekking op de uitspraak van 14 juni 2024 en daarmee ook op de in die uitspraak de door de bestuursrechter vastgestelde beslistermijn. [14] Dat betekent dat door het ingestelde hoger beroep de werking van de uitspraak van 14 juni 2024 werd opgeschort.
5.3
De verzetrechter overweegt verder het volgende. In de Awb staat dat de werking van een uitspraak niet wordt opgeschort wanneer het gaat om een uitspraak op een beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit. [15] De uitspraak van 14 juni 2024 gaat niet over het niet op tijd nemen van een besluit en dus ook niet over het nevendictum met daarin de termijnstelling voor een nieuw besluit.
Conclusie
6. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak van 20 december ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De bestuursrechter zal daarbij de vraag moeten beantwoorden of aan het beroep een ontvankelijke ingebrekestelling ten grondslag lag.
7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.**
griffier
rechter
is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De behandeling van het beroep wordt voortgezet.
Coll: M.P.O.
D: B
Voetnoten
1.artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)