ECLI:NL:RBAMS:2025:7413

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/761049 / HA ZA 24-1351
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verdeling vennootschapsvermogen na ontbinding van een vennootschap onder firma

In deze zaak gaat het om een geschil tussen twee voormalige vennoten van een vennootschap onder firma (VOF) die samen een apotheek hebben geëxploiteerd. De partijen, [eiser] en [gedaagde], hebben afgesproken de winst gelijk te verdelen, maar na de verhuizing van [eiser] naar China heeft [gedaagde] aanzienlijk meer werkzaamheden verricht. Na de verkoop van de activa en passiva van de apotheek in 2021 en de ontbinding van de VOF, ontstond er een geschil over de verdeling van het resterende vennootschapsvermogen. [eiser] vorderde in conventie betaling van € 135.601,-, terwijl [gedaagde] in reconventie een bedrag van € 649.944,- vorderde. De rechtbank heeft de verdeling van het vennootschapsvermogen vastgesteld op basis van een 75/25-verdeelsleutel, waarbij [gedaagde] 75% van de winst en [eiser] 25% kreeg toebedeeld. Dit was gerechtvaardigd gezien de omstandigheden dat [gedaagde] veel meer werkzaamheden voor de apotheek heeft verricht dan [eiser]. De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van € 54.139,- aan [gedaagde], vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/761049 / HA ZA 24-1351
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1] (China),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.C. Douma,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B. Wernik.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen hebben samen een apotheek geëxploiteerd in een vennootschap onder firma. Bij aanvang hebben zij afgesproken de winst gelijk te zullen verdelen. [eiser] is op een bepaald moment naar China verhuisd, waarna [gedaagde] ruim vijf jaar veel meer werkzaamheden voor de apotheek heeft verricht dan hij. In 2021 hebben partijen de activa/passiva van de apotheek verkocht en de vennootschap onder firma ontbonden. Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over de verdeling van het resterende vennootschapsvermogen en hebben zij beiden bedragen vanaf de bankrekening van de apotheek naar zichzelf overgeboekt of laten overboeken. [eiser] vordert in conventie betaling van € 135.601,-, het bedrag dat [gedaagde] volgens hem teveel heeft ontvangen. [gedaagde] vordert in reconventie betaling van € 649.944,-, het bedrag dat [eiser] volgens haar te veel heeft ontvangen.
1.2.
De rechtbank zal de verdeling van het vennootschapsvermogen vaststellen. Zij zal daarbij niet aansluiten bij de door partijen voorgestelde wijzen van verdeling. De rechtbank acht het redelijk om het resultaat van de apotheek over de periode 2016 tot en met 2021 voor 75% toe te delen aan [gedaagde] en voor 25% toe te delen aan [eiser] . Dit leidt ertoe dat [eiser] – na verrekening van de schulden van partijen aan de vennootschap en de bedragen die zij reeds hebben ontvangen – nog € 54.136,25 aan [gedaagde] moet betalen. De rechtbank zal [eiser] daartoe veroordelen.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 december 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- het tussenvonnis van 7 mei 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; en
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken.

3.De feiten

3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben van 1 september 2008 tot 1 mei 2021 een apotheek genaamd
‘ [naam vof] ’(de Apotheek) geëxploiteerd. Zij hebben dit gedaan in de vorm van een vennootschap onder firma.
3.2.
[eiser] en [gedaagde] hebben de voorwaarden van hun samenwerking bij aanvang vastgelegd in een vennootschap onder firmaovereenkomst (de VOF-overeenkomst). Uitgangspunt was dat partijen evenveel
“arbeid, kennis en vlijt en voor zover van belang relaties”zouden inbrengen (artikel 3 van de VOF-overeenkomst) en gelijk in de winst zouden delen (artikel 9 van de VOF-overeenkomst).
3.3.
[eiser] is in 2016 met zijn vrouw naar [woonplaats 1] verhuisd. [gedaagde] heeft sindsdien veel meer tijd aan de Apotheek besteed dan [eiser] .
3.4.
Op 30 april 2021 hebben partijen, althans de vennootschap onder firma, de activa en passiva van de Apotheek verkocht voor een koopsom van € 450.000,-.
3.5.
De vennootschap onder firma is op 1 mei 2021 ontbonden.
3.6.
[eiser] en [gedaagde] hebben in 2022 en 2023 vanaf de bankrekening van de Apotheek beiden bedragen naar zichzelf overgemaakt of laten overmaken. [eiser] heeft in 2022
€ 4.000,- en in 2023 € 75.000,- ontvangen. [gedaagde] heeft in 2022 € 25.000,- en in 2023 € 104.297,- ontvangen.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 135.601,-, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
4.2.
Hij legt aan zijn vordering samengevat ten grondslag dat [gedaagde] meer geld van de bankrekening van de Apotheek heeft ontvangen dan waarop zij recht heeft. [eiser] stelt dat hij op grond van de VOF-overeenkomst recht heeft op de helft van de winst en het vermogen van de Apotheek. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een berekening van de gezamenlijke boekhouder van partijen ingediend, waaruit volgt dat [gedaagde] op basis van de door [eiser] voorgestelde verdeelsleutel (50/50) nog een bedrag van € 135.601,- aan hem moet voldoen. [eiser] zegt dat de boekhouder deze berekening heeft opgesteld aan de hand van de cijfers uit de jaarstukken van de Apotheek die op grond van artikel 8 lid 3 van de VOF-overeenkomst tussen partijen vaststaan.
4.3.
[gedaagde] voert tegen de vordering van [eiser] aan dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij aanspraak maakt op de helft van de winst en het vermogen van de Apotheek, omdat hij vanaf 2016 haast geen werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht, terwijl zij jarenlang minimaal 60 uur per week heeft gewerkt om de Apotheek draaiende te houden.
in reconventie
4.4.
[gedaagde] vordert in reconventie veroordeling van [eiser] tot betaling van € 649.944,-, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
4.5.
[gedaagde] legt aan haar vordering samengevat ten grondslag dat zij recht heeft op 100% van de winst van de Apotheek over de periode vanaf 2016, omdat [eiser] sindsdien vrijwel geen werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht en zij bijna alles zelf heeft moeten doen (met behulp van personeel). Het door [gedaagde] gevorderde bedrag is een optelsom van de helft van de afname van de schulden van de Apotheek in de periode van 1 januari 2016 tot 1 mei 2021 (€ 44.690,-), de (volgens haar) onterechte opnamen van [eiser] vanaf de bankrekening van de Apotheek vanaf 1 januari 2016 (€ 160.254,-) en de waarde van de
goodwillvan de Apotheek zoals deze blijkt uit de koopovereenkomst van 30 april 2021 (€ 445.000,-). [1]
4.6.
[eiser] voert tegen de vordering van [gedaagde] aan dat hij – ondanks zijn verhuizing naar [woonplaats 1] in 2016 – altijd als gevestigde apotheker van de Apotheek geregistreerd is blijven staan, waardoor hij eindverantwoordelijk is gebleven voor de farmaceutische zorg die vanuit de Apotheek is geleverd en ook – samen met [gedaagde] – de financiële risico’s van de Apotheek is blijven dragen. Hij zegt daarnaast dat hij vanaf 2016 vanuit [woonplaats 1] administratieve werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht en hij voor [gedaagde] en het personeel altijd bereikbaar is gebleven. Verder was hij ieder jaar een aantal weken in Nederland om [gedaagde] in de Apotheek te helpen. [eiser] voert voorts aan dat [gedaagde] nooit tegen hem heeft gezegd dat zij de oorspronkelijke 50/50-verdeelsleutel wilde wijzigen. Hij vindt dan ook dat hij recht heeft op de helft van de winst van de Apotheek.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
5.1.
[eiser] en [gedaagde] beogen met hun vorderingen over en weer de verdeling van het vennootschapsvermogen te bewerkstelligen. De rechtbank begrijpt hun vorderingen dan ook als vorderingen tot vaststelling van de verdeling in de zin van artikel 3:185 BW. [2] [eiser] en [gedaagde] hebben – ondanks herhaalde pogingen – geen overeenstemming over de verdeling kunnen bereiken. De rechtbank zal de verdeling daarom vaststellen.
Toepassing van de oorspronkelijke verdeelsleutel is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
5.2.
Hoewel in artikel 9 van de VOF-overeenkomst staat dat de vennoten de winst van de Apotheek gelijk zullen verdelen, volgt de rechtbank [gedaagde] in haar standpunt dat toepassing van deze verdeelsleutel op de periode vanaf 2016 in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [3] Hierbij is van belang dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] in deze periode veel meer werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht dan [eiser] . Zij was steeds zelf in de Apotheek aanwezig en heeft, zo stelt zij, minimaal 60 uur per week gewerkt om het hoofd boven water te houden. [eiser] is in 2016 naar [woonplaats 1] verhuisd, omdat zijn vrouw daar meer geld kon verdienen dan hij in Nederland met de Apotheek kon verdienen. [gedaagde] stelt dat zij destijds tegen [eiser] heeft gezegd dat het haar niet zou lukken om de Apotheek in haar eentje draaiende te houden en [eiser] desondanks heeft besloten om naar [woonplaats 1] te vertrekken. [eiser] heeft dit niet weersproken. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat hij vanuit [woonplaats 1] administratieve werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht, hij altijd goed bereikbaar is gebleven en – met uitzondering van 2018 – ieder jaar een aantal weken naar Nederland is gekomen om [gedaagde] te helpen, maar deze werkzaamheden staan niet in verhouding tot de werkzaamheden die [gedaagde] ruim vijf jaar lang in de Apotheek heeft verricht. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat onverkorte toepassing van de oorspronkelijke – in artikel 9 van de VOF-overeenkomst vastgelegde – verdeelsleutel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Hoe dan wel?
5.3.
De rechtbank zal voor de verdeling van het vennootschapsvermogen wat betreft de periode van 1 januari 2016 tot 1 mei 2021 uitgaan van een 75/25-verdeelsleutel, waarbij [gedaagde] 75% van de winst en [eiser] 25% van de winst krijgt toebedeeld. Onder ‘winst’ wordt in dit verband ook de verkoopopbrengst van de activa/passiva van de Apotheek verstaan. Verder zal de rechtbank bij de verdeling zo veel mogelijk aansluiten bij de cijfers in het overzicht van de gemeenschappelijke boekhouder van partijen.
5.4.
De rechtbank acht deze verdeelsleutel redelijk, omdat tussen partijen vaststaat dat [gedaagde] van 1 januari 2016 tot 1 mei 2021 veel meer werkzaamheden voor de Apotheek heeft verricht dan [eiser] (zie hiervoor). Hoewel de rechtbank de precieze inspanningen van partijen in deze periode niet kan vaststellen, gaat zij ervan uit dat [gedaagde] meer dan 75% van de werkzaamheden (van de twee vennoten) voor de Apotheek heeft verricht. De rechtbank gaat desondanks uit van deze verdeelsleutel, omdat zij ook relevant acht dat [eiser] na zijn verhuizing naar [woonplaats 1] als gevestigde apotheker geregistreerd is blijven staan, dus eindverantwoordelijk bleef voor de farmaceutische zorg, en samen met [gedaagde] de financiële risico’s is blijven dragen. Als de Apotheek in deze periode failliet was gegaan, dan hadden schuldeisers zich ook tot [eiser] kunnen wenden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank voornoemde 75/25-verdeelsleutel gerechtvaardigd.
5.5.
De rechtbank komt met toepassing van deze verdeelsleutel op de door de gezamenlijke boekhouder van partijen aangeleverde cijfers tot de volgende berekening:
[gedaagde]
[eiser]
Totaal
Eigen vermogen t/m 2016
-111.62
-123.362
-234.982
Resultaat 2016
40.414
13.471
53.885
Opnamen 2016
-48.746
7
-41.746
Eigen vermogen t/m 2017
-119.952
-102.891
-222.843
Resultaat 2017
45.674
15.224
60.898
Opnamen 2017
-90.8
-6
-96.8
Eigen vermogen t/m 2018
-165.078
-93.667
-258.745
Resultaat 2018
34.405
11.468
45.873
Opnamen 2018
-62.186
-8.5
-70.686
Eigen vermogen t/m 2019
-192.859
-90.699
-283.558
Resultaat 2019
9.908
3.302
13.21
Opnamen 2019
-18.774
-6.5
-25.274
Eigen vermogen t/m 2020
-201.725
-93.897
-295.622
Resultaat 2021
448.789
149.597
598.386
Opnamen 2021
-60.303
-27.513
-87.816
Eigen vermogen t/m 2021
186.761
28.187
214.948
Opnamen 2022
-25
-4
-29
Opnamen 2023
-104.297
-75
-179.297
Restant eigen vermogen
57.464
-50.813
6.651
5.6.
Uit deze berekening volgt dat [eiser] nog een bedrag van € 50.813,- verschuldigd is, [gedaagde] nog een bedrag van € 57.464,- tegoed heeft en er nog een bedrag van € 6.651,- op naam van de ontbonden vennootschap zou moeten staan. De advocaat van [eiser] heeft op de zitting verklaard dat partijen niet weten wat er met dit bedrag van € 6.651,- is gebeurd en dat de rechtbank dit niet hoeft mee te nemen bij de verdeling. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Als de rechtbank dit bedrag geheel buiten beschouwing laat, dan komt het door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde bedrag echter niet overeen met het bedrag waar [gedaagde] recht op heeft. Aangezien de rechtbank geen reden ziet om dit bedrag in het kader van de verdeling volledig ten goede te laten komen van de een of de ander, zal zij de helft van dit bedrag (afgerond € 3.326) optellen bij het door [eiser] aan [gedaagde] te betalen bedrag. Dit brengt mee dat de rechtbank [eiser] zal veroordelen een bedrag van € 54.139,- aan [gedaagde] te voldoen. [4]
5.7.
Met deze verdeling wordt afgeweken van de schuldposities van partijen ten opzichte van de vennootschap, zoals deze uit de vastgestelde jaarstukken blijken, welke op grond van artikel 8 lid 3 van de VOF-overeenkomst tussen partijen als bindend moeten worden beschouwd. De rechtbank acht dit gerechtvaardigd, omdat het gelet op de hiervoor in 5.2 besproken omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om deze bepaling onverkort toe te passen. Aan het beroep van [eiser] op deze bepaling wordt dan ook voorbij gegaan.
Wettelijke rente
5.8.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen, voor het geval [eiser] de hoofdsom waartoe hij wordt veroordeeld niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe voldoet.
Proceskosten
5.9.
Gelet op de relatie tussen partijen als oud-vennoten zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
6.1.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast als overwogen in 5.3, 5.5 en 5.6,
6.2.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 54.139,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als dit bedrag niet binnen veertien dagen na aanschrijving is voldaan,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure in conventie en in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart onderdeel 6.1 en 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.

Voetnoten

1.€ 44.690 + € 160.254 + € 445.000 = € 649.944.
2.Artikel 3:185 lid 1 BW: Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
3.Artikel 6:248 lid 2 BW: Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
4.€ 50.813 + € 3.326 = € 54.139.