ECLI:NL:RBAMS:2025:7422

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
771778
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldvordering in kort geding tegen Litouwse gedaagde

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 9 oktober 2025 een vonnis gewezen in een kort geding, waarin de eiseres, Stichting Investcorp Management, een geldvordering van € 2 miljoen heeft ingesteld tegen een gedaagde die in Litouwen woont. De gedaagde is niet verschenen op de zitting, waardoor het vonnis bij verstek is gewezen. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve onderzocht of hij rechtsmacht had, gezien de woonplaats van de gedaagde in Litouwen. Op basis van de EU-verordening Brussel I-bis en de pandovereenkomst tussen partijen, werd vastgesteld dat de Rechtbank Amsterdam bevoegd was en dat Litouws recht van toepassing was op de geschillen.

De eiseres heeft aangetoond dat zij alle mogelijke stappen heeft ondernomen om de gedaagde te informeren over de procedure, inclusief betekening van de dagvaarding in Litouwen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagde voldoende op de hoogte was van de procedure en verleende verstek. De vorderingen van de eiseres werden beoordeeld aan de hand van een legal opinion van een Litouwse advocaat, die bevestigde dat de vorderingen toewijsbaar waren onder Litouws recht. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot betaling van de hoofdsom en rente toegewezen, evenals de proceskosten, maar heeft de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/771778 / KG ZA 25-528 VVV/MAH
Vonnis in kort geding van 9 oktober 2025
in de zaak van
STICHTING INVESTCORP MANAGEMENT,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 11 juli 2025,
advocaat: mr. R.W.A. Brunninkhuis,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 1] of [woonplaats 2] (Litouwen),
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

Op de zitting van 2 oktober 2025 heeft mr. Brunninkhuis namens eiseres de dagvaarding toegelicht en verzocht bij verstek vonnis te wijzen. De Nederlandse versie en Litouwse vertaling van de dagvaarding zijn aan dit vonnis gehecht. Gedaagde is niet verschenen. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.1.
Gedaagde woont in Litouwen. Daarom moet de voorzieningenrechter ambtshalve onderzoeken of hij rechtsmacht heeft. Dat is het geval, op grond van artikel 25 EU-verordening Brussel I-bis en artikel 9.4 van (de overgelegde Nederlandse vertaling van) de pandovereenkomst waarop eiseres haar vordering baseert. Eiseres en gedaagde zijn beiden partij bij deze overeenkomst. Artikel 9.4 van de overeenkomst wijst de Rechtbank (en dus ook de voorzieningenrechter) Amsterdam aan als bevoegde rechter en verklaart Litouws recht van toepassing op geschillen in verband met de overeenkomst.
Verstek
2.2.
Gedaagde heeft geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland, maar wel in EU-staat Litouwen. De betekening dient dan te geschieden conform de EU-Betekeningsverordening (EU 2020/1784) en artikel 56 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Blijkens de dagvaarding heeft de Nederlandse deurwaarder op 11 juli 2025 afschriften van de dagvaarding – met vertalingen in het Litouws – conform artikel 56 lid 2 Rv via de ontvangende instantie in Litouwen doen betekenen op zowel het geregistreerde woonadres van gedaagde in [woonplaats 1] als op diens feitelijke verblijfadres in [woonplaats 2] . Uit de teruggekomen betekeningsstukken blijkt dat gedaagde op het adres in [woonplaats 1] niet is aangetroffen en wel op het adres in [woonplaats 2] , maar dat hij op laatstbedoeld adres de dagvaarding en producties niet wilde aannemen (“
adresee refused to accept the documents and informed that it’s not his problem”, aldus de Litouwse deurwaarder op het betekeningsstuk van 13 augustus 2025). Daarnaast heeft de Nederlandse deurwaarder op 11 juli 2025 een afschrift van de dagvaarding – met vertaling in het Litouws – conform artikel 56 lid 3 Rv per UPS koerier aan gedaagde gestuurd. Ook is de dagvaarding met producties per koerier verzonden naar het bedrijf Auga group waar gedaagde voorzitter is van het bestuur. Tot slot heeft de advocaat van eiseres op 21 juli 2025 de dagvaarding met producties per Engelstalige e-mail aan de twee bekende e-mailadressen van gedaagde verzonden en hem daarbij gewezen op plaats en tijd van de kortgedingzitting. Van beide e-mailadressen is een leesbevestiging ontvangen.
2.3.
Al met al heeft eiseres al het mogelijke gedaan om gedaagde te informeren. Bij de betekening van de dagvaarding zijn de wettelijk voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, althans is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde feitelijk bekend is geraakt met de dagvaarding. Het gevraagde verstek zal worden verleend.
De vorderingen
2.4.
Eiseres heeft een
legal opinionovergelegd van een Litouwse advocaat, dr. A. Paulauskas, gedateerd 11 februari 2025. Daarin wordt geconcludeerd dat de vorderingen met betrekking tot de hoofdsom en rente volgens Litouws recht toewijsbaar zijn en dat de vordering tot vergoeding van proceskosten moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. De conclusies zijn in de legal opinion en de dagvaarding uitvoerig gemotiveerd en naar voorlopig oordeel niet evident onjuist, zodat deze in dit kort geding tot uitgangspunt zullen worden genomen. Gelet hierop komen genoemde vorderingen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor; zij zullen worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.5.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat de verschuldigdheid en de hoogte ervan niet zijn gemotiveerd.
2.6.
Eiseres heeft vergoeding van haar proceskosten, met wettelijke rente, gevorderd. Hierop is het Nederlandse procesrecht (lex fori) van toepassing. Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
715,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.873,40
Indien het vonnis wordt betekend komen daar nog de hieronder aan het slot van 3.3 vermelde kosten bij.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde,
3.2.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 2.230.326,45 (zegge: tweemiljoen tweehonderddertigduizend driehonderdzesentwintig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de (Litouwse) wettelijke rente van 6% per jaar over een bedrag van € 1.819.189,60 met ingang van 11 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 7.873,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met – indien het vonnis wordt betekend – € 92,00 plus de kosten van betekening,
3.4.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
9 oktober 2025. [1]

Voetnoten

1.type: MAH